ECLI:NL:PHR:2009:BG9187
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt rechtmatigheid DNA-onderzoek bij veroordeelden en verwerpt bewijsuitsluiting
In deze zaak stond de vraag centraal of het DNA-onderzoek bij een veroordeelde, uitgevoerd op basis van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden, in strijd is met de artikelen 7 en 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Verdachte werd veroordeeld voor diefstal met braak gepleegd in februari en maart 2004. Het DNA-materiaal werd afgenomen op 9 maart 2005, na inwerkingtreding van de wet.
De verdediging voerde aan dat de afname van DNA-materiaal onrechtmatig was omdat de wet pas na de gepleegde feiten in werking trad en dat dit in strijd was met het verbod op terugwerkende kracht (art. 7 EVRM Pro) en het recht op privacy (art. 8 EVRM Pro). De Hoge Raad volgde het oordeel van het hof dat de wet niet als straf in de zin van art. 7 EVRM Pro kan worden aangemerkt en dat de inbreuk op de privacy voorzienbaar was op het moment van afname.
Daarnaast werd de bewezenverklaring van de diefstallen ondersteund door diverse bewijsmiddelen, waaronder politieprocessen-verbaal, deskundigenrapporten en DNA-vergelijkingen die het bloed van verdachte op de plaatsen delict aantroffen. Het hof verwierp het verweer dat het DNA op andere wijze dan door aanwezigheid van verdachte ter plaatse kon zijn gekomen. De Hoge Raad vond dit oordeel niet onbegrijpelijk en verwierp het middel.
Ten slotte constateerde de Hoge Raad dat de redelijke termijn voor de procedure was overschreden en adviseerde tot strafvermindering. Het beroep werd voor het overige verworpen, waarmee de veroordeling en bewezenverklaring stand hielden.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de rechtmatigheid van het DNA-onderzoek en de bewezenverklaring, maar vermindert de straf wegens overschrijding van de redelijke termijn.