ECLI:NL:PHR:2009:BF0931
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Belastingheffing bij gedeeltelijke overdracht pensioenverplichting volgens Wet LB
Belanghebbende was werkzaam bij B bv en had een pensioenregeling waarvan een deel in 2002 werd overgedragen aan B voor uitvoering in eigen beheer, terwijl het restant verzekerd bleef bij een verzekeraar. De Inspecteur rekende de gehele pensioenaanspraak tot het belastbaar loon en stelde revisierente vast. Belanghebbende maakte bezwaar en ging in beroep bij de rechtbank Arnhem, die het beroep ongegrond verklaarde.
Het geschil spitste zich toe op de vraag of de overgangsregeling van artikel 36b Wet LB toepassing vond, waardoor artikel 19b Wet LB niet van toepassing zou zijn, en of slechts het overgedragen deel belast moest worden. De rechtbank oordeelde dat de term "voor zover" in artikel 18 Wet Pro LB uitsluitend betrekking heeft op de kwantitatieve begrenzingen van pensioenregelingen en niet op de voorwaarden omtrent toegelaten verzekeraars. De gehele pensioenaanspraak wordt daarom belast bij gedeeltelijke overdracht.
De Advocaat-Generaal concludeert dat de term "begrenzingen" in artikel 18 Wet Pro LB niet ruimer moet worden uitgelegd dan de kwantitatieve voorwaarden en dat de wetsgeschiedenis en systematiek geen aanknopingspunten bieden voor een andere interpretatie. De conclusie is dat het beroep ongegrond moet worden verklaard.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat bij gedeeltelijke overdracht van een pensioenverplichting de gehele pensioenaanspraak als loon wordt belast.