ECLI:NL:PHR:2009:BD9229
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Juridische fusie en tenaamstelling naheffingsaanslag omzetbelasting
Deze zaak betreft een naheffingsaanslag omzetbelasting die is opgelegd aan Stichting X, de verkrijgende rechtspersoon bij een juridische fusie met Stichting B. De aanslag heeft betrekking op een belastingschuld die is ontstaan bij Stichting B vóór de fusie. Stichting B was op het moment van oplegging van de aanslag niet meer bestaande, omdat zij was gefuseerd met Stichting A, die haar naam veranderde in Stichting X.
Het geschil draait om de vraag of de naheffingsaanslag terecht aan Stichting X is opgelegd of dat deze aan Stichting B had moeten worden gesteld. Het Hof oordeelde dat de aanslag terecht aan Stichting X was opgelegd, omdat deze de rechtsopvolger onder algemene titel van Stichting B is en dat er geen misverstand kon bestaan over voor wie de aanslag bestemd was.
De Hoge Raad stelt echter dat de belastingschuld die is ontstaan bij Stichting B niet automatisch de belastingschuld van Stichting X wordt, ondanks de overgang van het vermogen onder algemene titel. De naheffingsaanslag had daarom op naam van Stichting B moeten worden gesteld. De Hoge Raad overweegt dat het opleggen van een naheffingsaanslag aan een niet meer bestaande rechtspersoon niet betekent dat de belastingschuld aan de verkrijgende rechtspersoon wordt toegerekend. De civiele leer omtrent rechtsmiddelen tegen niet meer bestaande partijen is hier niet van toepassing.
Verder behandelt de Hoge Raad de overige middelen van cassatie en verwerpt deze. Zo oordeelt hij dat de detachering van personeel door Stichting B aan de AOC-raad wel degelijk een prestatie onder bezwarende titel in het economische verkeer is, en dat de constructie niet als misbruik van recht kan worden aangemerkt. De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep gegrond en stelt dat de naheffingsaanslag onterecht aan Stichting X is opgelegd.
Uitkomst: De naheffingsaanslag omzetbelasting is onterecht aan de verkrijgende rechtspersoon opgelegd en had aan de verdwijnende rechtspersoon moeten worden gesteld.