ECLI:NL:PHR:2009:BD5468
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Verenigbaarheid emigratieheffing aanmerkelijkbelang met EG-recht en belastingverdrag VK
De zaak betreft de vraag of de Nederlandse emigratieheffing voor aanmerkelijkbelanghouders in strijd is met het belastingverdrag met het Verenigd Koninkrijk en het EG-Verdrag. De belanghebbende was in 1997 enig aandeelhouder van drie vennootschappen en emigreerde naar Engeland. De Inspecteur legde een conserverende aanslag op, waarbij uitstel van betaling werd verleend onder de voorwaarde van zekerheidstelling. Het Hof Arnhem stelde prejudiciële vragen aan het HvJ EG, die in 2006 oordeelde dat het Nederlandse systeem de vrijheid van vestiging kan belemmeren.
Het Hof Arnhem verklaarde de aanslag onverenigbaar met het gemeenschapsrecht voor zover deze betrekking had op fictieve aanmerkelijkbelangwinsten, vanwege het vereiste van zekerheidstelling en het niet volledig rekening houden met waardeverminderingen na emigratie. De Hoge Raad bevestigt dat het Nederlandse systeem in 1997 onverenigbaar was met artikel 43 EG Pro-Verdrag en dat de aanslag in zoverre niet in stand kan blijven.
Verder is besproken dat het opleggen van de conserverende aanslag zelf geen ongerechtvaardigde belemmering vormt, maar dat de zekerheidstelling dat wel doet. Ook de vraag of het vrijgeven van zekerheden met terugwerkende kracht de belemmering opheft, wordt negatief beantwoord. De belanghebbende kan aanspraak maken op schadevergoeding voor de nadelige gevolgen van de zekerheidstelling. Ten slotte wordt ingegaan op de verhouding tussen formele rechtskracht van beschikkingen en de mogelijkheid tot schadevergoeding onder het gemeenschapsrecht.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de emigratieheffing in 1997 onverenigbaar was met het EG-recht en vernietigt de aanslag voor zover deze betrekking heeft op fictieve aanmerkelijkbelangwinsten; schadevergoeding is mogelijk.