ECLI:NL:PHR:2009:BC1585
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vrijstelling van omzetbelasting voor intracommunautaire verwerving van tandprothesen
Belanghebbende, een onderneming die tandprothesen levert, verwierf deze goederen intracommunautair van een Zweedse groepsmaatschappij. De Inspecteur legde een naheffingsaanslag op omdat omzetbelasting niet was voldaan over deze verwervingen. Het Hof verklaarde het beroep van belanghebbende gegrond en oordeelde dat de intracommunautaire verwervingen van tandprothesen vrijgesteld zijn van omzetbelasting op grond van artikel 17e van de Wet op de omzetbelasting 1968.
De Staatssecretaris stelde in cassatie dat het Hof onjuist had geoordeeld omdat de vrijstelling voor tandprothesen niet richtlijnconform zou zijn en een ongewenst concurrentienadeel zou opleveren. De Hoge Raad volgde de conclusie van de Procureur-Generaal dat de vrijstelling van toepassing is omdat de levering van tandprothesen in Nederland in het betrokken tijdvak in elk geval was vrijgesteld, ongeacht de leverancier.
De Hoge Raad overwoog dat de Nederlandse wetgeving op dit punt niet volledig in overeenstemming was met de Europese richtlijn, maar dat dit niet ten nadele van belanghebbende mocht worden uitgelegd. Ook het betoog dat de vrijstelling het neutraliteitsbeginsel zou schenden, werd verworpen. De vrijstelling geldt derhalve voor de intracommunautaire verwerving van tandprothesen, en het beroep van de Staatssecretaris werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep van de Staatssecretaris ongegrond en bevestigt dat intracommunautaire verwervingen van tandprothesen vrijgesteld zijn van omzetbelasting.