ECLI:NL:PHR:2008:BG2239
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van de nodige bereidheid tot voortgezet verblijf in psychiatrische inrichting
Betrokkene verblijft op grond van een machtiging tot voortgezet verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis voor verstandelijk gehandicapten. De officier van justitie verzocht verlenging van deze machtiging, welke door de rechtbank werd toegekend voor drie jaar, ondanks het verzoek om vijf jaar.
De kern van het geschil betreft de vraag of betrokkene de nodige bereidheid toont tot vrijwillig verblijf en medewerking aan de behandeling, die gericht is op strikte controle en het vermijden van seksuele prikkeling vanwege zijn aandoeningen en gedragsrisico's.
De rechtbank oordeelde dat ondanks betrokkene's wens om te blijven, de gerechtvaardigde verwachting bestaat dat hij niet zal meewerken aan de noodzakelijke behandeling, zodat de vereiste bereidheid ontbreekt. Dit oordeel is gebaseerd op medische verklaringen, het behandelplan en gedragsrisico's.
In cassatie werd aangevoerd dat de rechtbank onvoldoende gemotiveerd heeft waarom de nodige bereidheid ontbreekt. De Hoge Raad verwijst naar vaste rechtspraak dat vrijwilligheid niet alleen bestaat uit het willen verblijven, maar ook uit medewerking aan noodzakelijke behandeling. De rechtbank heeft dit oordeel voldoende gemotiveerd en de beoordelingsmarge is wettelijk erkend.
Daarom wordt het cassatieberoep verworpen en blijft de machtiging tot voortgezet verblijf van kracht.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de machtiging tot voortgezet verblijf blijft van kracht.