ECLI:NL:PHR:2008:BD4949
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt uitlevering aan Servië ondanks verweer op grond van bilaterale verdragen en mensenrechtenrisico's
In deze zaak ging het om de uitlevering van een persoon aan de Republiek Servië ter strafvervolging. De verdediging voerde aan dat de uitlevering niet mocht plaatsvinden omdat een bilaterale uitleveringsovereenkomst tussen Nederland en Servië nog van toepassing zou zijn en omdat er een risico zou bestaan op schending van mensenrechten na uitlevering.
De rechtbank had het verweer dat de bilaterale overeenkomst van 1896 nog van kracht zou zijn terecht verworpen, omdat deze overeenkomst is komen te vervallen door de toetreding van Servië tot het Europees uitleveringsverdrag (EUV). De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en wees erop dat artikel 28 van Pro het EUV zonder uitzondering bepaalt dat bilaterale verdragen die uitlevering regelen vervallen zodra het EUV van toepassing is.
Daarnaast werd het verweer dat uitlevering zou leiden tot foltering of schending van het recht op een eerlijk proces afgewezen. De Hoge Raad stelde dat, aangezien zowel Nederland als Servië partij zijn bij het EVRM, er een vertrouwen bestaat dat de rechten van de opgeëiste persoon worden gerespecteerd en dat er rechtsmiddelen beschikbaar zijn in Servië. Het aangevoerde bewijs was onvoldoende om aan te nemen dat er een reëel risico bestaat op flagrante schendingen van rechten.
De Hoge Raad verwierp daarom het cassatieberoep en bevestigde de uitlevering aan Servië. Er waren geen gronden voor ambtshalve cassatie. De uitspraak bevestigt de voorrang van het EUV boven oudere bilaterale verdragen en benadrukt de bescherming van mensenrechten binnen uitleveringsprocedures.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de uitlevering aan Servië.