ECLI:NL:PHR:2008:BD1707
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling zwijgrecht kentekenhouder bij vordering tot bekendmaking bestuurder verkeersmisdrijf
Deze zaak betreft de vraag of een kentekenhouder die al als verdachte van een verkeersmisdrijf is gehoord, verplicht kan worden de naam en het adres van de bestuurder bekend te maken op grond van artikel 165, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994. De Hoge Raad verwijst naar een eerder arrest uit 1993 waarin werd geoordeeld dat een dergelijke vordering in strijd is met het zwijgrecht dat aan artikel 29 van Pro het Wetboek van Strafvordering ten grondslag ligt.
Het hof had de verdachte ontslagen van alle rechtsvervolging omdat hij niet verplicht was aan de vordering te voldoen nadat hij als verdachte was gehoord en de cautie was gegeven. De Procureur-Generaal stelt dat dit oordeel juist is en dat het arrest uit 1993 nog steeds van toepassing is, ook na de inwerkingtreding van de Wegenverkeerswet 1994.
De conclusie bespreekt ook relevante jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, waaronder zaken over het recht om te zwijgen en de verhouding tussen nationale verkeerswetgeving en het EVRM. Het EHRM oordeelde dat het zwijgrecht niet absoluut is en dat bepaalde verplichtingen aan kentekenhouders kunnen worden opgelegd, maar dat dit niet geldt wanneer de kentekenhouder zelf als verdachte wordt beschouwd.
De conclusie wijst erop dat de vordering tot het geven van informatie over de bestuurder niet mag worden opgelegd aan een kentekenhouder die al als verdachte is gehoord en cautie heeft gekregen. Wel wordt erkend dat wanneer de kentekenhouder vrijwillig informatie geeft over een andere bestuurder, deze informatie niet in strijd is met het zwijgrecht. De zaak wordt vernietigd en terugverwezen voor hernieuwde beoordeling.
Uitkomst: De verdachte wordt ontslagen van alle rechtsvervolging omdat hij niet verplicht is de identiteit van de bestuurder te geven na als verdachte te zijn gehoord.