ECLI:NL:HR:2008:BD1707
Hoge Raad
- Cassatie
- G.J.M. Corstens
- J.P. Balkema
- B.C. de Savornin Lohman
- J.W. Ilsink
- J. de Hullu
- Rechtspraak.nl
Ontslag van rechtsvervolging wegens schending zwijgrecht bij vordering kentekenhouder
De zaak betreft een verdachte die als kentekenhouder werd aangesproken om de identiteit van de bestuurder van zijn voertuig te verstrekken na een verkeersmisdrijf. De verdachte was reeds als verdachte gehoord en had gebruikgemaakt van zijn zwijgrecht. Het hof oordeelde dat de vordering op grond van artikel 165 WVW Pro 1994, die de kentekenhouder verplicht om de bestuurder bekend te maken, niet geldt indien de kentekenhouder al als verdachte is aangemerkt. Dit omdat het verstrekken van die informatie in strijd zou zijn met het zwijgrecht zoals neergelegd in artikel 29 van Pro het Wetboek van Strafvordering.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwees naar een eerdere uitspraak uit 1993 waarin dit principe werd vastgesteld. De Hoge Raad benadrukte dat het beginsel van het zwijgrecht ook geldt voor verdachten die geen gebruik maken van dat recht. De wettelijke regeling was niet gewijzigd en de vordering ex artikel 165 WVW Pro 1994 blijft daarmee onverenigbaar met het zwijgrecht wanneer de kentekenhouder als verdachte is gehoord.
Uiteindelijk werd de verdachte ontslagen van alle rechtsvervolging omdat het niet voldoen aan de vordering niet strafbaar is in deze situatie. Het cassatieberoep van het Openbaar Ministerie werd verworpen en de zaak werd terugverwezen voor hernieuwde behandeling, maar het arrest bevestigde de bescherming van het zwijgrecht in deze context.
Uitkomst: De verdachte wordt ontslagen van alle rechtsvervolging omdat de vordering tot bekendmaking van de bestuurder in strijd is met het zwijgrecht.