ECLI:NL:PHR:2008:BC7923
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Ontslag van rechtsvervolging wegens noodtoestand bij medicinaal gebruik en teelt van cannabis voor MS-patiënt
In deze zaak stond de vraag centraal of het telen van cannabis door een MS-patiënt, ondanks het verbod in de Opiumwet, gerechtvaardigd kon zijn op grond van noodtoestand. De verdachte gebruikte cannabis voor de behandeling van spasticiteit en pijn veroorzaakt door zijn ziekte, en teelde deze zelf vanwege het ontbreken van een geschikt alternatief via de apotheek.
Het hof had vastgesteld dat de verdachte geen redelijk alternatief had voor de zelf geteelde cannabis, omdat de apotheekvariëteiten ernstige bijwerkingen veroorzaakten en de coffeeshopproducten onbetrouwbaar en mogelijk vervuild waren. Deskundigen bevestigden dat verschillende cannabisvariëteiten verschillende effecten hebben, en dat de door de verdachte gekweekte soort specifiek aansloot bij zijn individuele cannabinoïdreceptoren.
De Hoge Raad oordeelde dat het beroep op noodtoestand in dit geval terecht was, ondanks de aanwezigheid van een wettelijke ontheffingsregeling voor medicinale cannabis. Het hof had de belangen zorgvuldig afgewogen en geoordeeld dat het belang van de patiënt bij het bestrijden van zijn ziekte zwaarder woog dan het belang van handhaving van de Opiumwet. Het beroep op noodtoestand werd niet uitgesloten door het bestaan van de ontheffingsregeling, vooral omdat de verdachte geen ontheffing kon verkrijgen.
De Hoge Raad verwierp de klachten tegen het oordeel van het hof en bevestigde het ontslag van alle rechtsvervolging. Hiermee werd erkend dat in uitzonderlijke gevallen de strafbaarstelling van het telen van cannabis kan wijken voor het belang van een menswaardig bestaan en effectieve medische behandeling.
Uitkomst: Verdachte wordt ontslagen van alle rechtsvervolging wegens noodtoestand bij teelt van cannabis voor medicinaal gebruik.