ECLI:NL:PHR:2008:BC7427
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt geen specialis-verhouding tussen art. 157 en 366 SrA bij vernieling lijk
In deze zaak stond de kwalificatie van het bewezen verklaarde feit centraal, waarbij verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van het vernielen en onbruikbaar maken van het lijk van een overledene, strafbaar gesteld in art. 366 SrA Pro. Verdachte stelde dat art. 157 SrA Pro, dat het wegmaken van een lijk strafbaar stelt, een lex specialis zou zijn en dat het Hof ten onrechte art. 366 SrA Pro had toegepast.
De Hoge Raad overwoog dat er geen systematische specialis-verhouding bestaat tussen art. 157 SrA Pro en art. 366 SrA Pro, omdat deze bepalingen verschillende rechtsbelangen beschermen: art. 157 SrA Pro richt zich op de openbare orde en de betrouwbaarheid van de burgerlijke stand, terwijl art. 366 SrA Pro het ongestoorde gebruik van een goed door de rechthebbende beschermt. Het oogmerk van het wegmaken van een lijk zoals bedoeld in art. 157 SrA Pro was bovendien niet tenlastegelegd.
Verder bevestigde de Hoge Raad dat een lijk kan worden aangemerkt als een goed dat aan nabestaanden toebehoort in strafrechtelijke zin, waarbij het toebehoren een autonome betekenis heeft die verder gaat dan civielrechtelijke eigendom. De handelingen van het vernielen en onbruikbaar maken van het lijk, waaronder het afzagen van benen en het in brand steken, werden als zodanig aangemerkt en bewezen verklaard. Het middel tot cassatie faalde, en de veroordeling bleef in stand.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling voor vernieling en onbruikbaar maken van een lijk op grond van art. 366 SrA zonder toepassing van art. 157 SrA.