ECLI:NL:HR:2002:AD6225
Hoge Raad
- Cassatie
- C.J.G. Bleichrodt
- A.M.J. van Buchem-Spapens
- A.J.A. van Dorst
- B.C. de Savornin Lohman
- E.J. Numann
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak en veroordeling wegens openlijk geweld tegen overleden persoon en discussie over kwalificatie lijk als goed
In deze strafzaak stond de vraag centraal of het openlijk met verenigde krachten plegen van geweld tegen het lichaam van een overleden persoon strafbaar is onder artikel 141 van Pro het Wetboek van Strafrecht. Het hof had de verdachte vrijgesproken van geweld tegen een levende persoon, maar veroordeeld tot twaalf maanden gevangenisstraf waarvan zes voorwaardelijk wegens geweld tegen het lichaam van de overleden persoon.
De verdediging voerde aan dat een overleden persoon noch als persoon noch als goed in de zin van artikel 141 Sr Pro kan worden aangemerkt, en dat het niet vaststaat of het slachtoffer ten tijde van het geweld nog leefde. Het hof oordeelde dat het begrip 'goederen' in artikel 141 Sr Pro moet worden uitgelegd aan de hand van artikel 3:2 BW Pro, en dat stoffelijke objecten die vatbaar zijn voor openlijk geweld hieronder vallen. Een op straat liggend, recent overleden persoon valt volgens het hof onder deze omschrijving.
De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het hof en verwierp de cassatiemiddelen. De Hoge Raad stelde dat de wetgever met artikel 141 Sr Pro primair de openbare orde wil beschermen en dat het geweld tegen een lijk, dat een stoffelijk object is, onder deze strafbepaling valt. Ook de stelling dat de wetgever in andere artikelen een uitputtende regeling heeft gegeven voor strafbare handelingen met betrekking tot lijken werd verworpen. Het beroep van de verdachte werd verworpen en het arrest van het hof bleef in stand.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling voor openlijk geweld tegen het lichaam van een overleden persoon en verwierp het cassatieberoep.