ECLI:NL:PHR:2008:BC5825
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Gebruik van een pand in aanbouw voor onroerendezaakbelasting en WOZ-beschikking
In deze zaak staat centraal de vraag of een eigenaar, bezitter of beperkt gerechtigde van een pand in aanbouw als gebruiker van de onroerende zaak moet worden beschouwd in de zin van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) en de Gemeentewet voor de heffing van onroerendezaakbelasting (OZB).
Belanghebbende, een projectontwikkelingsmaatschappij, bezat op 1 januari 2003 een kantoorgebouw in aanbouw op een perceel grond. Zij voerde aan dat er geen sprake was van gebruik van de onroerende zaak zolang het pand in aanbouw was. Het Gerechtshof Amsterdam oordeelde echter dat belanghebbende als gebruiker moest worden aangemerkt omdat zij de bouw van het pand tot stand bracht, ongeacht dat het pand bestemd was voor verhuur.
De Hoge Raad bevestigde deze uitspraak en stelde dat het begrip "gebruik" in de Wet WOZ en Gemeentewet ruimer is dan het vroegere begrip "feitelijk gebruik". Het omvat ook het bezigen van een onroerende zaak voor de bouw zelf, ter bevrediging van eigen behoeften. De eigenaar die een pand laat bouwen maakt gebruik van de onroerende zaak, ook tijdens de bouwfase. Dit oordeel is in lijn met eerdere jurisprudentie en de parlementaire geschiedenis.
Daarnaast werd ambtshalve beoordeeld dat de vraag of iemand terecht als gebruiker is aangemerkt niet in bezwaar tegen de WOZ-beschikking zelf kan worden betwist, maar pas in bezwaar en beroep tegen de aanslag onroerendezaakbelasting. Het beroep in cassatie werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond en bevestigt dat de eigenaar van een pand in aanbouw als gebruiker van de onroerende zaak moet worden aangemerkt.