ECLI:NL:PHR:2008:BC4199
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Begripsomschrijving gebruik maken van het openbaar vervoer in strafzaak zonder geldig vervoerbewijs
In deze zaak stond de vraag centraal wat onder het begrip 'gebruik maken van het openbaar vervoer' moet worden verstaan in de context van artikel 70 lid 1 van Pro de Wet personenvervoer 2000 (WPV 2000). Verdachte werd ervan beschuldigd zonder geldig vervoerbewijs gebruik te hebben gemaakt van een trein die nog stilstond. Het hof sprak verdachte vrij omdat het oordeelde dat het betreden van een stilstaande trein geen gebruik van het openbaar vervoer opleverde.
De advocaat-generaal stelde cassatieberoep in tegen deze vrijspraak en betoogde dat het begrip ruimer moet worden uitgelegd. De Hoge Raad bevestigt dat het begrip niet nader is gedefinieerd in de WPV 2000 of het Besluit personenvervoer 2000 (BPV 2000), maar dat een redelijke uitleg aansluit bij artikel 47 lid 1 BPV Pro 2000. Dit betekent dat ook het betreden van een vervoermiddel dat nog niet vertrokken is, al als gebruik van het openbaar vervoer geldt.
De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest van het hof wegens een onjuiste rechtsopvatting. Tevens wordt opgemerkt dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro is overschreden, hetgeen bij eventuele sancties in aanmerking moet worden genomen. De zaak wordt terugverwezen voor een nieuwe beslissing.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de vrijspraak en bepaalt dat het betreden van een stilstaande trein zonder geldig vervoerbewijs als gebruik maken van het openbaar vervoer geldt.