ECLI:NL:PHR:2008:BB5776
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Integratieheffing en aftrek recht bij gedeeltelijke leegstand van een voor verhuur bestemd kantoorgebouw
In deze zaak staat centraal of bij de levering van een kantoorpand in eigen bedrijf, dat gedeeltelijk wordt verhuurd en gedeeltelijk leegstaat, sprake is van levering van het gehele pand als één goed in de zin van artikel 3, lid 1, letter h, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet), en hoe de aftrek van voorbelasting moet worden bepaald voor het leegstaande deel.
Het Hof heeft geoordeeld dat het pand juridisch één geheel vormt en dat de levering in november 2001 betrekking had op het gehele pand, inclusief de leegstaande vierde etage. Dit oordeel is niet in cassatie bestreden. De vraag is vervolgens of de aan de vierde etage toegerekende omzetbelasting aftrekbaar is, nu deze etage nog niet feitelijk in gebruik was genomen en grotendeels leegstond.
De Procureur-Generaal concludeert dat de levering van het gehele pand als één goed in de zin van artikel 3-1-h van de Wet moet worden beschouwd, ook bij gefaseerde ingebruikname. De ondernemer beschikt voor bedrijfsdoeleinden over het gehele pand zodra een deel daarvan in gebruik wordt genomen. Voor de aftrek van voorbelasting is bepalend het feitelijke gebruik van het pand. Leegstand leidt niet tot aftrek van voorbelasting, omdat het pand als geheel wordt bezien en het gebruik uitsluitend voor vrijgestelde prestaties plaatsvindt. Artikel 15, vierde lid, van de Wet, dat aftrek conform bestemming regelt, is niet per afzonderlijk deel van het pand toepasbaar.
De conclusie is dat de naheffingsaanslag over het vierde kwartaal 2001 terecht is vastgesteld zonder aftrek van de aan de leegstaande vierde etage toegerekende belasting. De naheffingsaanslag over het derde kwartaal 2002 is vernietigd. Het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: De naheffingsaanslag over het vierde kwartaal 2001 is terecht vastgesteld zonder aftrek van de belasting toegerekend aan de leegstaande vierde etage.