ECLI:NL:PHR:2008:BB5549
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over voorlopige machtiging en dwangbehandeling in psychiatrisch ziekenhuis
In deze zaak ging het om een verzoek van de officier van justitie tot het verlenen van een voorlopige machtiging om het verblijf van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis voort te zetten. Betrokkene verbleef al twintig jaar vrijwillig in het ziekenhuis. De rechtbank wees het verzoek af, stellende dat de rechterlijke machtiging niet bedoeld is als vervanging van een dwangmaatregel en dat de WGBO voldoende mogelijkheden biedt bij noodsituaties.
De Hoge Raad bespreekt uitgebreid de verhouding tussen de Wet Bopz en de WGBO, waarbij wordt benadrukt dat een dwangbehandeling zonder toestemming van een wilsbekwame patiënt niet is toegestaan onder de WGBO, tenzij in spoedeisende gevallen die ernstig nadeel voor de patiënt zelf voorkomen. Gevaar voor anderen rechtvaardigt geen behandeling zonder machtiging onder de WGBO.
De Hoge Raad oordeelt dat de rechtbank onvoldoende heeft getoetst of de betrokkene de nodige bereidheid tot voortzetting van het verblijf op vrijwillige basis ontbeerde, mede gelet op het gevaar dat betrokkene dreigend gedrag vertoonde jegens anderen. Tevens wordt benadrukt dat separatie een vrijheidsbeneming kan inhouden die niet op grond van de WGBO kan worden toegepast. De Hoge Raad vernietigt de beschikking en verwijst de zaak terug naar de rechtbank voor een nieuwe beoordeling.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking en verwijst de zaak terug voor nieuwe beoordeling van de voorlopige machtiging.