ECLI:NL:PHR:2008:BA8499
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Cassatie over wederrechtelijk verblijf en toepassing Vreemdelingenwet bij uitbuiting prostitutie
Deze zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem, waarin verdachte is veroordeeld wegens het behulpzaam zijn bij het verblijf in Nederland van personen die vermoedelijk wederrechtelijk verbleven. Centraal staat de uitleg van artikel 197a van het Wetboek van Strafrecht en de toepassing van bepalingen uit de Vreemdelingenwet 2000.
Het hof oordeelde dat de betrokken vreemdelingen niet rechtmatig verbleven omdat zij arbeid verrichtten in loondienst, wat niet is toegestaan tijdens de zogenoemde vrije termijn van het verblijf. De verdediging stelde dat het verblijf rechtmatig was omdat de vreemdelingen een aanvraag tot verblijfsvergunning hadden ingediend of bezwaar hadden gemaakt, waardoor uitzetting was opgeschort. Het hof vond echter dat niet was voldaan aan de clausules die dit rechtmatig verblijf garanderen.
De Hoge Raad bevestigt dat de hulp aan vreemdelingen die zonder enig recht of bevoegdheid in Nederland verblijven strafbaar is, en dat het hof terecht heeft geoordeeld dat het verrichten van arbeid in loondienst het rechtmatig verblijf kan beëindigen. De verdediging voerde ook aan dat sprake moest zijn van excessief winstbejag, maar het hof stelde dat het streven naar economisch voordeel, zoals bij exploitatie van een sexclub, voldoende is.
De Hoge Raad ziet geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen over de associatieovereenkomsten en wijst het cassatieberoep af. Het arrest bevestigt de uitleg van het begrip wederrechtelijk verblijf en de toepassing van de Vreemdelingenwet in situaties van arbeidsuitbuiting.
Uitkomst: Hoge Raad wijst cassatieberoep af en bevestigt veroordeling wegens behulpzaam zijn bij wederrechtelijk verblijf.