ECLI:NL:HR:2004:AO1863
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- G.J.M. Corstens
- W.A.M. van Schendel
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt veroordeling voor het doen verrichten van arbeid door illegalen ondanks beroep op EU-arrest
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch waarin verdachte werd veroordeeld wegens het doen verrichten van arbeid door personen zonder geldige verblijfsvergunning in een bordeel. Verdachte voerde in hoger beroep onder meer aan dat de prostituees zelfstandig werkten en niet in loondienst waren, met een beroep op een arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (HvJ EG) van 20 november 2001.
Het Hof had het verweer van verdachte grotendeels verworpen en geoordeeld dat er sprake was van een gezagsverhouding tussen de vereniging die het bordeel exploiteerde en de prostituees, waarbij verdachte als feitelijk leidinggevende optrad. De Hoge Raad overwoog dat het HvJ EG-arrest geen directe betekenis heeft voor de uitleg van het begrip "krachtens overeenkomst arbeid doen verrichten" in art. 197b Sr, en dat de omstandigheden en bewijzen in deze zaak niet voldeden aan de criteria voor zelfstandige prostitutie zoals geformuleerd in dat arrest.
Voorts oordeelde de Hoge Raad dat het hof had moeten beslissen op het nieuwe verweer dat in hoger beroep was ingebracht, maar dat dit verzuim niet tot cassatie leidt omdat het verweer gegrond noch aannemelijk was. Het cassatieberoep werd daarom verworpen en de veroordeling van verdachte bleef in stand.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de veroordeling van verdachte voor het doen verrichten van arbeid door illegalen.