ECLI:NL:PHR:2008:BA0601
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van het begrip bouwterrein bij levering van onbebouwde grond na sloop van opstallen
In deze zaak staat centraal of de levering van een perceel grond, waarop een schoolgebouw was gesloopt, kwalificeert als levering van een bouwterrein in de zin van artikel 11, lid 4, Wet OB, hetgeen gevolgen heeft voor de heffing van overdrachtsbelasting en omzetbelasting.
De belanghebbende had de grond gekocht nadat het schoolgebouw was gesloopt en de grond was gezuiverd en geëgaliseerd. Het hof oordeelde dat de sloop niet met het oog op veiligheid was verricht, maar met het oog op bebouwing, en dat de nasloopse werkzaamheden zoals zuivering en egalisatie met het oog op bebouwing waren uitgevoerd, waardoor sprake was van een bouwterrein. De Staatssecretaris stelde cassatie in tegen dit oordeel.
De Hoge Raad bevestigt dat sloopwerkzaamheden zelf geen bewerkingen met het oog op bebouwing zijn, maar leiden tot onbebouwde grond. Pas nasloopse bewerkingen aan deze onbebouwde grond kunnen het tot bouwterrein maken. Het subjectieve oogmerk van de sloop is niet beslissend; het gaat om feitelijke bewerkingen na sloop. Het hof heeft dit op juiste wijze beoordeeld en het cassatiemiddel wordt verworpen.
De uitspraak verduidelijkt de scheidslijn tussen bebouwde grond, onbebouwde grond en bouwterrein en bevestigt dat overdrachtsbelasting niet verschuldigd is bij levering van onbebouwde grond zonder nasloopse bewerkingen met het oog op bebouwing.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt dat volledige sloop leidt tot onbebouwde grond die pas bouwterrein wordt door nasloopse bewerkingen met het oog op bebouwing.