ECLI:NL:PHR:2007:BB7075
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt voorwaardelijk opzet bij poging zware mishandeling met auto
Op 2 september 2004 reed verdachte met hoge snelheid met zijn auto tegen een geparkeerde auto waarin meerdere personen stonden, waaronder het latere slachtoffer. Het hof oordeelde dat verdachte zich bewust was van de aanmerkelijke kans dat hierdoor zwaar lichamelijk letsel zou ontstaan en sprak hem vrij van het daadwerkelijk toebrengen daarvan, maar veroordeelde hem voor poging tot zware mishandeling.
De verdediging voerde aan dat voorwaardelijk opzet niet uit de bewijsmiddelen kon worden afgeleid en dat het hof onvoldoende had gereageerd op onderbouwde verweren. De Hoge Raad oordeelde echter dat het hof terecht had geoordeeld dat verdachte het aanmerkelijke risico bewust had aanvaard, gelet op het rijgedrag en de omstandigheden.
Ten aanzien van de vordering tot immateriële schadevergoeding stelde de Hoge Raad vast dat het hof onvoldoende had gemotiveerd waarom deze was toegewezen, aangezien het letsel waarvoor schade werd gevorderd niet was bewezen en het hof niet bevoegd was om de feitelijke grondslag van de vordering aan te vullen. Daarom vernietigde de Hoge Raad dit deel van het arrest en verwees de zaak terug naar het hof voor hernieuwde beslissing.
Verder werd bevestigd dat het hof terecht de vordering tot materiële schade had afgewezen en de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijftien maanden, waarvan vijf voorwaardelijk, en een rijontzegging van zes maanden. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep voor het overige.
Uitkomst: Hoge Raad bevestigt voorwaardelijk opzet en vernietigt het deel over immateriële schadevergoeding, verwijst terug naar hof.