Conclusie
middelbevat de klacht dat het Hof bij de berekening van de in aanmerking te nemen kosten op onjuiste wijze de afschrijving van de voor het inrichten van de hennepkwekerij gemaakte kosten heeft verdisconteerd.
Parket bij de Hoge Raad
In deze zaak staat de maatregel van profijtontneming centraal die door het Hof is opgelegd aan de veroordeelde wegens het handelen in strijd met de Opiumwet door het telen van hennep. Het Hof heeft het wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op basis van een eerste geslaagde oogst van 450 planten, met een opbrengst van 20 gram per plant en een marktwaarde van € 2.000 per kilo, wat resulteert in een totale opbrengst van € 18.000.
Van dit bedrag zijn de gemaakte kosten afgetrokken, waaronder directe kosten per plant, huurkosten, afschrijving van investeringskosten over een periode van twee jaar en energiekosten. Dit leidde tot een netto bedrag van € 7.441,27 dat aan de Staat betaald moet worden. De verdediging stelde in cassatie dat het Hof ten onrechte de investeringskosten over tien oogsten afschreef, terwijl de kweker mogelijk na enkele oogsten zou stoppen.
De Hoge Raad oordeelt dat het Hof een redelijke schatting heeft gemaakt en dat de mogelijkheid dat de kweker eerder zou stoppen onvoldoende concreet is om het oordeel van het Hof te weerleggen. De vergelijking met fiscale afschrijvingsregels is niet relevant voor de strafrechtelijke maatregel. Het cassatiemiddel wordt verworpen en de uitspraak van het Hof blijft in stand.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de maatregel van profijtontneming van € 7.441,27 opgelegd door het Hof.