ECLI:NL:PHR:2007:BB2959

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
16 oktober 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
02343/06
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 395 SvArt. 395a SvArt. 399 SvArt. 400 SvArt. 401 Sv
Verwijzingen
11 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatieberoep tegen vonnis na verzet inzake overtreding APV-Haag82

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een vonnis van de kantonrechter te 's-Gravenhage, waarbij verdachte na verzet werd veroordeeld wegens overtreding van de Algemene Plaatselijke Verordening van Den Haag (APV-Haag82). Het verzet werd behandeld op 20 februari 2006, waarbij verdachte verstek liet gaan.

De kern van het cassatiemiddel betrof de klacht dat het vonnis niet was aangetekend conform de vereisten van artikel 395, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (oud), terwijl cassatie binnen de termijn was ingesteld. De Hoge Raad overwoog dat de wetgever slechts voorzieningen heeft getroffen voor vonnissen na verzet indien verdachte op de terechtzitting is verschenen. Omdat verdachte verstek liet gaan, was het verzet vervallen verklaard conform artikel 402 (oud) Sv, en was de procedure correct gevolgd.

De Hoge Raad stelde vast dat de kantonrechter het verzet terecht vervallen heeft verklaard en dat het middel faalt. Er waren geen gronden voor ambtshalve vernietiging van het vonnis. Het cassatieberoep werd derhalve verworpen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het vonnis van de kantonrechter blijft in stand.

Conclusie

Nr. 02343/06
Mr. Bleichrodt
Zitting 21 augustus 2007
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1. De Kantonrechter in de Rechtbank te 's-Gravenhage heeft de verdachte - na verzet - op 20 februari 2006 ter zake van "overtreding van APV-Haag82 76A" veroordeeld tot een geldboete van vijftig euro, subsidiair één dag hechtenis.
2. Namens verdachte is door een schriftelijk gemachtigde cassatie ingesteld. Mr. E.J. Huisman, advocaat te 's-Gravenhage, heeft een schriftuur ingezonden, houdende één middel van cassatie.(1)
3.1 Het middel behelst de klacht dat art. 395, tweede lid, Sv is geschonden omdat het vonnis van de Kantonrechter niet is aangetekend op de wijze als door de Minister van Justitie bepaald, terwijl namens verdachte binnen drie maanden na de gewezen uitspraak cassatieberoep is ingesteld.
3.2 De wetgever heeft over de inhoud van een vonnis na verzet slechts voorzieningen getroffen voorzover de verdachte op de zitting is verschenen. Op grond van art. 403, eerste lid, (oud) Sv(2) vindt in een dergelijk geval een nieuwe behandeling van de zaak plaats. Voorts houdt dit artikellid in dat de zaak onder meer overeenkomstig Titel VIII van het Wetboek van Strafvordering wordt behandeld, zodat de art. 395 Sv Pro en 395a Sv, houdende voorschriften waaraan een vonnis van de Kantonrechter moet voldoen, van overeenkomstige toepassing zijn.(3) Uit het voorgaande volgt dat een vonnis na verzet enkel dient te worden aangetekend overeenkomstig de Regeling aantekening mondeling vonnis door politierechter, kinderrechter, economische politierechter, de kantonrechter en de enkelvoudige kamer voor behandeling van strafzaken in hoger beroep indien de verdachte op de zitting is verschenen en zich één van de in art. 395a, tweede lid, Sv genoemde omstandigheden voordoet.
De aantekening mondeling vonnis van 20 februari 2006 houdt evenwel in dat tegen de verdachte verstek is verleend, zodat het middel reeds daarom faalt. Indien verdachte op de terechtzitting waarop zijn verzet wordt behandeld niet verschijnt, is immers ingevolge art. 402 (oud) Sv de hoofdregel dat het verzet vervallen wordt verklaard, tenzij de rechter redenen aanwezig acht om het onderzoek ter terechtzitting te schorsen, waarna de verdachte voor een nadere terechtzitting zal worden opgeroepen; daartoe heeft de Kantonrechter echter geen aanleiding gezien. De wet laat zich niet erover uit aan welke eisen een vonnis houdende een vervallenverklaring van het verzet moet voldoen.
3.3 Het middel is dus tevergeefs voorgesteld.
4. Voor de goede orde merk ik ambtshalve nog het volgende op. Nu verdachte op de terechtzitting van 20 februari 2006 niet is verschenen en er kennelijk geen aanleiding bestond om het onderzoek ter terechtzitting te schorsen, had de Kantonrechter op grond van art. 402 (oud) Sv het verzet vervallen dienen te verklaren. Uit de zich bij de stukken bevindende "Aantekening mondeling vonnis" zou echter kunnen worden afgeleid dat de Kantonrechter de zaak opnieuw heeft behandeld en daarbij tot dezelfde uitkomst is gekomen als eerder in het verstekvonnis.
Met een vervallenverklaring van het verzet had echter moeten worden volstaan.(4)
Mijns inziens zal het bestreden vonnis aldus moeten en kunnen worden gelezen dat de Kantonrechter het verzet vervallen heeft verklaard.(5) Enig belang van de verdachte is hier niet in het geding.
Beslissend is hier namelijk of de Kantonrechter tot het oordeel heeft kunnen komen dat verdachte op de juiste wijze is opgeroepen voor de terechtzitting na gedaan verzet. En dat is, naar volgt uit de desbetreffende akte van uitreiking, het geval.
5. Het middel faalt en kan mijns inziens met de aan art. 81 RO Pro te ontlenen motivering worden afgedaan. Gronden waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, heb ik niet aangetroffen.
6. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
1 Deze zaak hangt samen met de zaak nr. 02344/06, in welke zaak ik heden ook concludeer.
2 De artikelen 399-403 Sv zijn vervallen bij de inwerkingtreding van de Wet van 5 oktober 2006 (stroomlijnen hoger beroep in strafzaken; Stb. 2006, 470), in werking getreden op 1 maart 2007. De overgangsbepaling bij de wet houdt in dat deze wijziging niet van toepassing is op zaken waarin het vonnis in eerste aanleg is gewezen voor het tijdstip van inwerkingtreding van de wet.
3 (Ook) op grond van het tweede lid van dit artikel dient de rechter, gelet op het vonnis, waarbij hij de bij verstek gewezen uitspraak bekrachtigt dan wel geheel of gedeeltelijk vernietigt, op grond van art. 395, tweede lid, Sv aan te tekenen op de wijze voorzien in de Regeling aantekening mondeling vonnis door politierechter, kinderrechter, economische politierechter, de kantonrechter, en de enkelvoudige kamer voor behandeling van strafzaken in hoger beroep (Stcr. 1996, 197). Volgens Melaï, aant. 9 bij art. 403 (oud) Sv heeft dit lid geen zelfstandige betekenis.
4 Vgl. HR 4 juni 1996, nr. 102.641, waarin het bestreden vonnis werd "ontdaan" van de ook plaatsgevonden hebbende bekrachtiging van het verstekvonnis.
5 Vgl. ook de zaak waarin de A-G Jörg heeft geconcludeerd vóór HR 21 januari 2003, nr 02096/01.