ECLI:NL:PHR:2007:BA8445
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Afgewezen vordering tot nietigverklaring van schenkingen aan verzorgster wegens voordeeltrekking en misbruik van omstandigheden
De zaak betreft een geschil over de nietigheid van twee schenkingen ter waarde van 150.000 gulden die de erflaatster kort voor haar overlijden aan haar verzorgster heeft gedaan. De erfgenamen stelden dat de schenkingen nietig waren wegens het voordeeltrekkingsverbod van art. 4:953 BW Pro (oud) en wegens misbruik van omstandigheden. De rechtbank en het hof verwierpen deze vorderingen, onder meer omdat de schenkingen pas plaatsvonden nadat de erflaatster was verhuisd naar een verzorgingshuis waar de verzorgster niet werkzaam was.
De Hoge Raad bevestigde dat het voordeeltrekkingsverbod restrictief moet worden uitgelegd en niet van toepassing is op schenkingen na vertrek uit de instelling. Ook werd bevestigd dat de bewijslast van misbruik van omstandigheden in beginsel bij de begiftigde ligt, maar dat op grond van redelijkheid en billijkheid een uitzondering mogelijk is. In deze zaak rustte de bewijslast van misbruik echter op de erven, die onvoldoende stellingen hadden gemaakt om tot nadere bewijslevering te worden toegelaten.
De Hoge Raad oordeelde voorts dat het overgangsrecht geen beletsel vormt voor de toepassing van de nieuwe bewijslastregel in art. 7:176 BW Pro. De klachten van de erven over de bewijslastverdeling en het ontbreken van bewijs voor een abnormale geestestoestand werden verworpen. Daarmee bleef de nietigheid van de schenkingen ongegrond en werd het beroep van de erven afgewezen.
Uitkomst: De Hoge Raad wijst het beroep van de erfgenamen af en bevestigt dat de schenkingen aan de verzorgster niet nietig zijn.