ECLI:NL:PHR:2007:BA6246
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Wijziging omgangsregeling bij tweehoofdig gezag na verhuizing kinderen naar buitenland
De zaak betreft een geschil tussen voormalige echtelieden over de wijziging van de omgangsregeling voor hun drie kinderen, die bij de moeder verblijven. Na echtscheiding bleven zij gezamenlijk gezag uitoefenen en was een omgangsregeling vastgesteld waarbij de vader eenmaal per maand een weekend omgang had. De moeder verhuisde met de kinderen naar de Verenigde Staten, waar zij een nieuw gezin vormde.
De vader verzocht wijziging van de omgangsregeling, met name aanpassing aan de nieuwe situatie. De rechtbank wijzigde de regeling, en het hof vernietigde deze beschikking en stelde een omgangsregeling vast die frequenter contact met de vader mogelijk maakte, ook bij verblijf van de kinderen in de VS.
De moeder kwam in cassatie met het middel dat het hof buiten de rechtsstrijd trad door een ruimere omgangsregeling vast te stellen dan door de vader was verzocht, en dat dit een verrassing voor partijen was. De Hoge Raad oordeelde dat de rechter bij vaststelling van een omgangsregeling ruime beslissingsvrijheid heeft, maar geen beslissing mag nemen waarop partijen niet bedacht waren en waarover zij zich niet konden uitlaten. De door het hof vastgestelde regeling week ingrijpend af en had ingrijpende gevolgen, zonder dat partijen hierover waren gehoord. Daarom werd het arrest vernietigd en de zaak terugverwezen.
Daarnaast oordeelde de Hoge Raad dat het hof terecht bevoegd was om te beslissen, omdat de kinderen ten tijde van het aanhangig maken van het verzoek hun gewone verblijfplaats in Nederland hadden, conform de Brussel IIbis-Verordening. De klacht over schending van art. 8 EVRM Pro faalde omdat de moeder en kinderen niet onder Nederlandse rechtsmacht vielen.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd wegens verrassing van partijen en de zaak wordt terugverwezen voor nieuwe behandeling.