ECLI:NL:PHR:2007:BA3634
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling positie openbaar ministerie in strafproces en recht op eerlijk proces
In deze zaak betoogde verdachte dat het feit dat de advocaat-generaal tijdens de behandeling van de strafzaak op het podium zat, waar ook de leden van het hof en de griffier zaten, leidde tot een ongelijkwaardige positie en een schending van zijn recht op een eerlijk proces zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro. Verdachte stelde dat deze verhoogde positie een intimiderende werking had en hem belemmerde zijn standpunt naar voren te brengen.
Het hof verwierp dit verweer en oordeelde dat de positie van het openbaar ministerie op het podium niet leidt tot een schending van het recht op een eerlijk proces. De rol van het openbaar ministerie verschilt immers van die van de verdediging en de wet voorziet in een eigen plaats voor de officier van justitie en advocaat-generaal. Verdachte heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij in zijn verdedigingsbelang is geschaad.
De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en wijst op de wetsgeschiedenis van art. 268, derde lid, Sv, waarin is gekozen voor een regeling die de schijn van partijdigheid moet voorkomen, maar geen gelijkheid in ruimtelijke zin vereist. Ook het beginsel van equality of arms betekent niet dat partijen in de rechtszaal een gelijke fysieke positie moeten hebben, maar dat verdachte zijn verdedigingsrechten onbelemmerd moet kunnen uitoefenen. De Hoge Raad concludeert dat het middel faalt en verklaart het openbaar ministerie ontvankelijk in de vervolging.
Uitkomst: Het middel van verdachte wordt verworpen; de positie van de advocaat-generaal op het podium is niet in strijd met het recht op een eerlijk proces.