ECLI:NL:PHR:2007:BA3128
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vernietiging arrest wegens onvoldoende motivering vrijheidsbenemende straf bij cocaïnehandel
De verdachte werd door het hof veroordeeld tot drie maanden gevangenisstraf wegens het opzettelijk vervoeren, verkopen en aanwezig hebben van cocaïne in Amsterdam op 4 september 2004. Het hof achtte de straf passend gelet op de ernst van het feit, eerdere veroordelingen en de omstandigheden waaronder het delict werd gepleegd.
De verdediging stelde cassatie in met het middel dat het hof de motivering van de vrijheidsbenemende straf onvoldoende had gegeven, niet voldaan was aan de eisen van artikel 359 lid 6 Sv Pro. De Procureur-Generaal concludeerde dat het hof niet met zoveel woorden had uitgedrukt dat een vrijheidsbenemende straf was opgelegd, wat volgens vaste jurisprudentie wel vereist is.
De Hoge Raad bevestigde dat het hof de strafoplegging onvoldoende had gemotiveerd omdat het niet expliciet had aangegeven dat de opgelegde straf vrijheidsbeneming inhield. Hoewel het hof de straf passend achtte, ontbrak de noodzakelijke expliciete motivering, waardoor het arrest werd vernietigd voor zover het de strafoplegging betreft.
De Hoge Raad benadrukte dat de eis van expliciete motivering strikt wordt gehanteerd om te voorkomen dat artikel 359 lid 6 Sv Pro een dode letter wordt, ondanks discussie over de formalistische invulling van deze eis. De zaak werd terugverwezen voor een nieuwe beslissing over de strafoplegging met een deugdelijke motivering.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering van de opgelegde vrijheidsbenemende straf.