ECLI:NL:PHR:2007:BA2771
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van fiscale faciliteiten bij bepaling van de gecorrigeerde vervangingswaarde van een windmolenpark
Belanghebbende is eigenaar van een windmolenpark dat in 1995 is gerealiseerd met behulp van een directe investeringssubsidie van de overheid. De waarde van het park is vastgesteld op de gecorrigeerde vervangingswaarde op de waardepeildatum 1 januari 1999. Het geschil betreft de vraag of bij deze waardebepaling rekening moet worden gehouden met fiscale faciliteiten die op de waardepeildatum van kracht waren, zoals de regulerende energieheffing, de VAMIL-regeling en de energie-investeringsaftrek.
Het Hof oordeelde dat deze fiscale faciliteiten niet gelijkgesteld kunnen worden met investeringssubsidies en daarom niet in mindering mogen worden gebracht op de stichtingskosten. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en stelt dat alleen objectgebonden subsidies, die op grond van regelingen van overheidswege aan iedereen die een dergelijk object tot stand brengt worden verstrekt, in mindering mogen worden gebracht.
De conclusie van de Procureur-Generaal benadrukt dat de energie-investeringsaftrek weliswaar direct verbonden is aan investeringen in windturbines, maar dat deze regeling niet objectgebonden is omdat zij alleen geldt voor belastingplichtigen onder het winstregime. De Subsidieregeling energievoorzieningen in de non-profit en bijzondere sectoren is wel objectgebonden, maar niet alle investeerders komen daarvoor in aanmerking. Daarom speelt een subjectief element een grote rol, waardoor deze fiscale faciliteiten niet als objectgebonden subsidies kunnen worden aangemerkt.
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond en bevestigt dat bij de bepaling van de gecorrigeerde vervangingswaarde geen rekening wordt gehouden met de genoemde fiscale faciliteiten. Dit oordeel sluit aan bij eerdere jurisprudentie waarin investeringssubsidies wel in mindering worden gebracht, maar fiscale faciliteiten die niet objectgebonden zijn, niet.
De uitspraak verduidelijkt de toepassing van het begrip gecorrigeerde vervangingswaarde in de context van de Wet waardering onroerende zaken en benadrukt het belang van objectgebondenheid van subsidies bij waarderingsvraagstukken.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat fiscale faciliteiten niet in mindering worden gebracht op de gecorrigeerde vervangingswaarde van het windmolenpark.