ECLI:NL:PHR:2007:BA1767
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt mishandeling met afwijzing noodweerverweer wegens tijdstipverwarring
De verdachte werd door het Gerechtshof Amsterdam veroordeeld voor mishandeling van zijn echtgenote in februari 2003, waarbij hij haar met kracht bij de rechterarm greep en deze omhoog draaide, wat pijn veroorzaakte. De verdediging voerde noodweer aan, stellende dat de verdachte handelde uit zelfverdediging omdat het slachtoffer hem eerder had gekrabd. Het hof oordeelde echter dat het noodweerverweer betrekking had op een ander incident in 2002 en verwierp het verweer zonder nadere motivering.
De Hoge Raad constateerde dat het hof niet had meegewogen dat de raadsman zich waarschijnlijk in het jaartal had vergist en dat het noodweerverweer feitelijk betrekking had op het bewezenverklaarde incident in 2003. Het hof had dit verweer met redenen moeten behandelen. Desondanks oordeelde de Hoge Raad dat de reactie van het hof niet tot cassatie kon leiden, omdat uit de bewijsmiddelen bleek dat de verdachte disproportioneel had gereageerd en het noodweerverweer daarom niet slaagde.
Verder werd vastgesteld dat het bewezenverklaarde incident in de woning van het slachtoffer in De Meern had plaatsgevonden, ondanks dat sommige stukken dit niet expliciet vermeldden. De overige middelen van cassatie faalden eveneens, waardoor het arrest van het hof in stand bleef.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de veroordeling wegens mishandeling met afwijzing van het noodweerverweer.