ECLI:NL:PHR:2007:AZ6664
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Veroordeling wegens opzettelijke weigering medewerking ademanalyse bij rijden onder invloed
Verdachte werd veroordeeld door het hof wegens het opzettelijk niet voldoen aan de verplichting om ademlucht te blazen in een apparaat voor onderzoek, zoals bedoeld in artikel 163, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994. Het hof oordeelde dat verdachte bewust had geweigerd mee te werken aan het ademonderzoek, ondanks zijn stelling dat hij door een hypo (een acute aandoening gerelateerd aan zijn diabetes) niet helder kon denken en zich niet bewust was van zijn weigering.
De Hoge Raad bevestigt dat het hof voldoende bewijs had om het opzet van verdachte aan te nemen. Verdachte had meerdere keren duidelijk en verstaanbaar aangegeven niet te willen meewerken, gebruikte zijn spierkracht om zich te verzetten en stelde voorwaarden aan medewerking (medicatie). De aanwezigheid van een hypo werd door het hof niet aannemelijk geacht als schulduitsluitingsgrond, mede omdat de GGD-arts geen mededelingen deed die dit ondersteunden en de suikerspiegel later normaal bleek.
Ook het beroep op een bijzondere geneeskundige reden werd verworpen omdat verdachte dit niet ondubbelzinnig kenbaar maakte. Het verzoek om het horen van een verbalisant werd afgewezen wegens gebrek aan noodzaak. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde het oordeel van het hof.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling van verdachte voor het opzettelijk weigeren mee te werken aan een ademanalyse en verwerpt het cassatieberoep.