ECLI:NL:PHR:2007:AZ5699
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vernietiging en niet-ontvankelijkverklaring wegens verjaring handel met voorwetenschap in effecten
De zaak betreft handel met voorwetenschap (insider trading) rond de overname van een beursgenoteerd bedrijf. Verdachte kocht op 22 mei 2001 grote hoeveelheden aandelen van [A] N.V. kort voordat een openbaar bod van [B] werd bekendgemaakt, waarna de koers steeg. Verdachte zou via zijn dochter, die kennis had van het bod via haar echtgenoot werkzaam bij [A], op de hoogte zijn gesteld van de overname.
Het hof had verdachte veroordeeld voor overtreding en misdrijf van de Wet toezicht effectenverkeer 1995, mede wegens het opzettelijk mededelen van voorwetenschap aan zijn zoon en het uitlokken van transacties. De tenlastelegging werd gewijzigd door toevoeging van het woord "opzettelijk".
De Hoge Raad oordeelt dat het hof ten onrechte de wijziging van de tenlastelegging heeft toegestaan, omdat het feit onder 2 verjaard is. Het woord "opzettelijk" vormt een bestanddeel van het misdrijf en moet expliciet in de tenlastelegging voorkomen. Omdat de tenlastelegging alleen de overtreding bevatte, is het recht tot vervolging van het misdrijf verjaard. De Hoge Raad vernietigt het arrest en verklaart het OM niet-ontvankelijk voor het tweede feit.
Verder bevestigt de Hoge Raad de bewezenverklaring dat verdachte en zijn zoon met voorwetenschap hebben gehandeld, ondanks het ontbreken van direct bewijs van communicatie. De Hoge Raad wijst ook op overschrijding van de redelijke termijn in cassatie en past strafvermindering toe. Het cassatieberoep wordt voor het overige verworpen.
Uitkomst: Het OM wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens verjaring van het tweede feit en de straf wordt verminderd wegens termijnoverschrijding.