ECLI:NL:PHR:2007:AZ5689
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over vaststelling Nederlanderschap niet-erkend onwettig kind geboren in het Koninkrijk
Deze zaak betreft een verzoek ex artikel 17 van Pro de Rijkswet op het Nederlanderschap tot vaststelling van het Nederlanderschap van een persoon die is geboren als niet-erkend onwettig kind in het Koninkrijk, op grond van artikel 1, aanhef en onder d, van de Wet op het Nederlanderschap en het ingezetenschap van 1892.
Verzoeker stelde dat hij op zijn geboortedatum in 1975 in Nederland werd geboren als zoon van een moeder die toen staatloos was, waardoor hij volgens hem de Nederlandse nationaliteit zou hebben verkregen. De Staat betwistte dit en stelde dat afstamming en identiteit van verzoeker niet vaststaan en dat hij waarschijnlijk de Servische en Joegoslavische nationaliteit bezit.
De rechtbank wees het verzoek af, stellende dat niet duidelijk was of verzoeker de persoon was die op de overgelegde Nederlandse geboorteakte stond vermeld of de persoon uit een beslissing van een Servische gemeente. Ook als verzoeker een van deze personen was, zou hij volgens de rechtbank niet de Nederlandse nationaliteit hebben verkregen omdat hij vermoedelijk een andere nationaliteit bezat.
Verzoeker kwam in cassatie met vier middelen, die de Hoge Raad allen verwierp. De Hoge Raad oordeelde onder meer dat de rechtbank terecht het openbaar ministerie de mogelijkheid had geboden zich uit te laten, dat het ontbreken van overeenstemming in persoonsgegevens de afstamming en identiteit onvoldoende duidelijk maakte, en dat het feit dat verzoeker mogelijk een andere nationaliteit bezit, het Nederlanderschap op grond van de genoemde wettelijke bepaling uitsluit.
De Hoge Raad bevestigde daarmee het oordeel van de rechtbank en wees het verzoek tot vaststelling van het Nederlanderschap af.
Uitkomst: Het verzoek tot vaststelling van het Nederlanderschap is afgewezen omdat afstamming en identiteit niet vaststaan en verzoeker vermoedelijk een andere nationaliteit bezit.