ECLI:NL:PHR:2007:AZ3880
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens ontbreken wettelijk voorschrift voor vordering tot openen deur bedrijfspand
De verdachte werd veroordeeld wegens opzettelijk niet voldoen aan een vordering van de politie om de deur van een faillissementsbedrijfspand te openen. De politie was ter plaatse op verzoek van de curator die toegang werd geweigerd. De politieambtenaren vorderden de deur te openen om de curator toegang te verschaffen en een mogelijk strafbaar feit te onderzoeken.
De Hoge Raad oordeelde dat de bevoegdheid van de politie tot het vorderen van het openen van de deur niet kan worden ontleend aan artikel 2 van Pro de Politiewet 1993 of aan de artikelen 340-349 van het Wetboek van Strafrecht. Artikel 55 van Pro het Wetboek van Strafvordering geeft wel de bevoegdheid tot betreden, maar niet tot een rechtsplicht tot medewerking. Hierdoor ontbreekt een wettelijk voorschrift waarop de vordering tot openen van de deur kan worden gebaseerd.
De Hoge Raad concludeerde dat het niet voldoen aan de vordering niet het strafbare feit van artikel 184 lid 1 Sr Pro oplevert. Om die reden werd de verdachte vrijgesproken. De uitspraak bevat uitgebreide beschouwingen over de taak en bevoegdheden van de politie, de positie van de curator in faillissement en de grenzen van strafrechtelijke handhaving door politiebevelen.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken omdat de vordering tot openen van de deur niet krachtens wettelijk voorschrift was gedaan.