ECLI:NL:PHR:2007:AZ1703

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
9 januari 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
03502/05 E
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 24 Wet milieugevaarlijke stoffenArt. 28 EG-VerdragArt. 29 EG-VerdragArt. 30 EG-VerdragArt. 39 Wet milieugevaarlijke stoffen
Verwijzingen
20 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling rechtmatigheid Nederlandse vuurwerkregelgeving in het licht van EG-Verdrag

Deze zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage waarin verzoeker is veroordeeld wegens deelname aan een criminele organisatie en medeplegen van overtreding van milieuregelgeving.

Het hof heeft geoordeeld dat het Nederlandse verbod op het voorhanden hebben van vuurwerk dat niet voldoet aan wettelijke eisen, hoewel het de handel tussen lidstaten kan belemmeren, gerechtvaardigd is op grond van de bescherming van de gezondheid en het leven van personen zoals bedoeld in artikel 30 van Pro het EG-Verdrag. Het hof stelde dat geen minder verstrekkende maatregel het beoogde doel zou bereiken, mede gelet op de open grenzen met België.

Verzoeker stelde dat het hof ten onrechte geen prejudiciële vragen heeft gesteld aan het Europese Hof van Justitie over de toepasselijkheid en rechtmatigheid van de Nederlandse vuurwerkregelgeving in het licht van artikel 28 EG Pro-Verdrag. De Hoge Raad oordeelde echter dat het hof terecht heeft geoordeeld dat prejudiciële vragen niet noodzakelijk waren, omdat de regelgeving gerechtvaardigd is en de toets aan artikel 30 EG Pro-Verdrag doorstaat.

De Hoge Raad bevestigde dat de rechter niet verplicht is tot een uitgebreide belangenafweging tussen het beschermde belang en de beperking van het handelsverkeer, zolang redelijkerwijs kan worden aangenomen dat het nationale verbod noodzakelijk is ter bescherming van gezondheid en leven. Het beroep werd verworpen met een korte motivering.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de Nederlandse vuurwerkregelgeving wordt bevestigd als rechtmatig.

Conclusie

Griffienr. 03502/05 E
Mr. Wortel
Zitting:31 oktober 2006
Conclusie inzake:
[Verzoeker = verdachte]
1. Dit cassatieberoep betreft een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage waarbij verzoeker wegens (1) "Het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven" (2) "Medeplegen van medeplichtigheid aan opzettelijke overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 24 van Pro de Wet milieugevaarlijke stoffen, gepleegd door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd; en
Medeplegen van medeplichtigheid aan opzettelijke overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 39 van Pro de Wet milieugevaarlijke stoffen, gepleegd door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd" is veroordeeld tot gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, met bijkomende beslissing ten aanzien van inbeslaggenomen voorwerpen.
2. Namens verzoeker heeft mr V.A. Groeneveld, advocaat te Amsterdam, een schriftuur houdende cassatiemiddelen ingediend. In een samenhangende zaak met griffienummer 03503/05 E concludeer ik heden eveneens.
3. Het eerste middel bevat de klacht dat de art. 328, 350, 358 en 359 Sv in samenhang met art. 415 Sv Pro, alsmede de art. 28, 30 en 234 EG-Verdrag zijn geschonden, doordien het Hof op onbegrijpelijke, althans ontoereikende gronden heeft geoordeeld dat het niet nodig is prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen te stellen aangaande de verbindende kracht van de Nederlandse vuurwerkregels in het licht van art. 28 EG Pro-Verdrag.
In het tweede middel wordt het Hof verweten dat het de zaken daarbij heeft omgedraaid door in het midden te laten of zich hier een geval voordoet als aan de orde was in HvJEG C-267/91 en C-268/91. Ook daardoor zou de beslissing op het verzoek onbegrijpelijk zijn.
De middelen lenen zich voor gezamenlijke bespreking.
4. In de bestreden uitspraak is overwogen:
"Namens de verdachte is het hof ter terechtzitting in hoger beroep op 21 januari 2005 en 15 april 2005 verzocht om over te gaan tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Europese Hof van Justitie, met betrekking tot de strijdigheid van de Nederlandse vuurwerkregelgeving met artikel 28 van Pro het EG-verdrag en de vraag of de beslissing van het Europese Hof inzake Keck van toepassing is in de onderhavige zaak.
Het hof stelt voorop dat het voorschrift van de Nederlandse vuurwerkregeling dat in de onderhavige zaak in het geding is, zakelijk weergegeven inhoudt dat het verboden is vuurwerk voorhanden te hebben dat niet aan de wettelijke eisen inzake de samenstelling en de etikettering voldoet (artikel 3 van Pro het Vuurwerkbesluit Wet milieugevaarlijke stoffen).
Dit voorschrift is een nationale maatregel die de intracommunautaire handel al dan niet rechtstreeks, daadwerkelijk of potentieel kan belemmeren. Blijkens de considerans strekt het genoemde besluit ertoe met betrekking tot de veiligheid van en het handelen met vuurwerk door de particuliere gebruiker regelen te stellen ter voorkoming van lichamelijk letsel; daarmee is het gericht op de bescherming van de gezondheid en het leven van personen in de zin van artikel 30 van Pro het EG-verdrag. Dit voorschrift, dat zonder onderscheid geldt voor vuurwerk, afkomstig van binnenlandse en buitenlandse producenten en verkopers, kan naar zijn inhoud, in samenhang met de andere voorschriften terzake, dienen tot het bereiken van het beoogde resultaat. Niet aannemelijk is geworden dat een minder ver strekkend stelsel van voorschrift voldoende zou bijdragen aan het beoogde doel. Met name zou een uitzondering voor vuurwerk dat gekocht is in het buitenland, dat resultaat ernstig in gevaar brengen, gelet op de open grenzen van Nederland. Dit geldt zeker indien, zoals de verdachte aanvoert, in België strengere eisen zouden gelden ter zake van de verkoop van vuurwerk aan personen die dat vuurwerk in België onder zich zich hebben dan ter zake van de verkoop aan personen die dat vuurwerk naar het buitenland verzenden en dat blijkens een bericht van de (Belgische) Dienst der Springstoffen de verkoop aan buitenlanders gelijk kon worden gesteld met een dergelijke verzending. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat het voorschrift, in samenhang met de andere voorschriften terzake, gerechtvaardigd is uit hoofde van bescherming van de gezondheid en het leven van personen. Niet aannemelijk is geworden dat het voorschrift op zich, dan wel in samenhang met andere voorschriften voor vuurwerk, aan te merken zou zijn als een middel tot willekeurige discriminatie of als een verkapte beperking van de handel tussen de lidstaten.
Voor zover het betoog zijdens de verdachte ertoe strekt, dat de Nederlandse vuurwerkregelgeving disproportioneel is, omdat deze mede wordt gehandhaafd doordat personen als verdachte en diens ondernemingen, die bewust, op grote schaal en bedrijfsmatig vanuit het nabije buitenland vuurwerk dat niet aan de Nederlandse eisen voldoet, verkopen aan Nederlandse particulieren, als medeplichtigen aan het verboden voorhanden hebben worden vervolgd, overweegt het hof, dat door deze vorm van handhaving de regelgeving niet disproportioneel wordt, nu er geen redelijk alternatief voor deze vorm van handhaving is. Ook indien er namelijk , zoals door de raadsman bepleit, grootschalige grenscontroles zouden plaatsvinden (die zeer veel menskracht zouden vergen en het verkeer ernstig zouden kunnen verstoren) zou gelet op de open grenzen tussen België en Nederland in onvoldoende mate het voornoemde doel betreffende de bescherming van de gezondheid en het leven van personen worden bereikt.
Het hof is op grond van het bovenstaande van oordeel dat de Nederlandse vuurwerkregelgeving niet strijdig is met artikel 28 van Pro het EG-verdrag; het acht het stellen van prejudiciële vragen terzake niet noodzakelijk voor enige te nemen beslissing.
De advocaat-generaal heeft aangevoerd dat op grond van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen in de zaken-Keck en Mithouard (HvJEG C-267/91 en C-268/91) de toetsing van de onderhavige regelgeving aan de eisen van artikel 30 van Pro het EG-verdrag achterwege kan blijven, nu het hier een nationale bepaling betreft die bepaalde verkoopmodaliteiten aan banden legt of verbiedt en die van toepassing is op alle marktdeelnemers die op het nationale grondgebied activiteiten ontplooien en die zowel rechtstreeks als feitelijk dezelfde invloed heeft op de verhandeling van nationale producten en op die van producten uit andere lid-staten. Het hof zal dit in het midden laten, nu blijkens het bovenstaande de betreffende regelgeving de toets aan artikel 30 van Pro het EG-verdrag doorstaat. Het acht het stellen van prejudiciële vragen op dit punt derhalve niet noodzakelijk."
5. In de toelichting op het eerste middel wordt gesteld dat het Hof, vaststellend dat de Nederlandse voorschriften ten aanzien van vuurwerk gericht zijn op de veiligheid van personen en ook geschikt zijn om dit doel te bereiken, een onjuiste maatstaf heeft gehanteerd, aangezien het in art. 30 EG Pro-Verdrag gegeven criterium is of een maatregel (van dezelfde strekking als een kwantitatieve import- of exportbeperking) uit hoofde van de bescherming van de gezondheid of het leven van personen gerechtvaardigd is. Daarom zou het Hof verplicht zijn geweest nader, en grondig, te onderzoeken of het door de nationale wetgever beoogde doel ook met een minder ingrijpende maatregel dan verbodsnormen bereikt had kunnen worden.
6. Deze stelling is onhoudbaar. Door vast te stellen dat de Nederlandse vuurwerkvoorschriften gericht zijn op het beschermen van gezondheid en leven van personen, dat zij geschikt zijn om dit doel te bereiken, en niet aannemelijk is dat het beoogde doel met een minder vèr strekkend stelsel van voorschriften bereikt zou kunnen worden, heeft het Hof tot uitdrukking gebracht dat deze nationale regelgeving noodzakelijk is ter verwezenlijking van het in art. 30 EG Pro-Verdrag genoemde doel, terwijl de mogelijke inbreuk op het vrije verkeer in redelijke verhouding staat tot dit beoogde doel, vgl. HR NJ 2003, 216.
7. Ook uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen valt naar mijn inzicht af te leiden dat de rechter bij beantwoording van de vraag of een nationaal voorschrift is te beschouwen als een (handelsbeperkende doch) gerechtvaardigde maatregel in de zin van art. 30 EG Pro-Verdrag in beginsel niet gehouden is tot een min of meer grondige afweging van het te beschermen belang tegen de mogelijkheid om dat belang te waarborgen met minder vergaande beperkingen van het handelsverkeer. In de regel kan worden volstaan met de vaststelling dat het aanbieden of verhandelen van het desbetreffende product de reële mogelijkheid meebrengt dat een in art. 30 EG Pro-Verdrag genoemd rechtsbelang wordt aangetast. Indien redelijkerwijs valt aan te nemen dat deze mogelijkheid daadwerkelijk aanwezig is, kan doorgaans worden aangenomen dat de verbodsnorm in het nationale recht noodzakelijk is om het in art. 30 EG Pro-Verdrag genoemde belang te beschermen, en behoeft de rechter niet nader te onderzoeken of de nationale wetgever die bescherming ook had kunnen bereiken met een minder vèrstrekkende maatregel. Opmerking verdient evenwel dat de in art. 30 EG Pro-Verdrag bedoelde rechtvaardiging niet mag worden aangenomen ingeval een bij nationaal voorschrift opgelegd verbod de mogelijkheid openlaat dat het desbetreffende, voor een in art. 30 EG Pro-Verdrag genoemd belang bedreigende, product op andere, legale wijze op de binnenlandse markt wordt aangeboden of ter beschikking gesteld. In dat geval zal een verbod op slechts één enkele vorm van aanbieden of ter beschikking stellen immers buitenlandse aanbieders in een nadeliger positie brengen. Aldus meen ik een vaste lijn in de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen te hebben samengevat, maar ik volsta met het noemen van HvJEG NJ 2004, 17 en NJ 2004, 278.
8. Verder heeft de steller van de middelen natuurlijk gelijk waar hij, in de toelichting op het tweede middel, opmerkt dat de vraag of een nationale maatregel wel behoort tot de in de art. 28 en Pro 29 EG-Verdrag verboden voorschriften (op welke vraag de door de advocaat-generaal bij het hof genoemde arresten van het HvJEG C-267/91 en C-268/91 betrekking hebben), logisch vooraf gaat aan de vraag of een nationale maatregel, indien die onder het bereik van art. 28 of Pro art. 29 EG Pro-Verdrag komt, wellicht gerechtvaardigd is op grond van het bepaalde in art. 30 EG Pro-Verdrag.
9. Het Hof stond evenwel uitsluitend voor de vraag of het aangewezen was om prejudiciële vragen te stellen. Er is niets verkeerd aan 's Hofs redenering dat, ook al zou uitgangspunt moeten zijn dat de Nederlandse vuurwerkregelgeving voorschriften kent als bedoeld in art. 28 EG Pro-Verdrag, aanstonds duidelijk is dat die voorschriften zijn gerechtvaardigd in de zin van art. 30 EG Pro-Verdrag, zodat het hoe dan ook zinloos is om prejudiciële vragen te stellen, en het dus ook geen zin heeft in te gaan op de vraag óf die nationale voorschriften wel onder het bereik van art. 28 EG Pro-Verdrag komen.
10. De middelen falen derhalve, en zij lenen zich voor afdoening met de in art. 81 RO Pro bedoelde korte motivering.
11. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,