ECLI:NL:HR:2003:AE8928
Hoge Raad
- Cassatie
- C.J.G. Bleichrodt
- F.H. Koster
- W.A.M. van Schendel
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt strafbaarheid bezit beschermde vogels onder oude Vogelwet
De verdachte werd veroordeeld voor het bezit van een kerkuil en een oehoe, beide beschermde vogels, zonder vergunning in strijd met artikel 7 van Pro de oude Vogelwet 1936. Het hof bevestigde deze veroordeling en legde een verbeurdverklaring op. De verdachte voerde in cassatie aan dat de oude Vogelwet niet van toepassing was vanwege een latere, gunstigere regeling in de Flora- en faunawet en dat de nationale regeling in strijd zou zijn met het EG-verdrag.
De Hoge Raad oordeelde dat de oude Vogelwet van toepassing bleef omdat de Flora- en faunawet pas na het hofarrest gedeeltelijk in werking trad en het overgangsrecht bepaalt dat overtredingen volgens de toen geldende wetgeving worden beoordeeld. Tevens faalde het verweer dat de nationale wetgeving in strijd was met het EG-verdrag, omdat strengere nationale maatregelen zijn toegestaan en de regeling proportioneel is.
De Hoge Raad verwierp alle middelen en bevestigde daarmee de strafrechtelijke aansprakelijkheid van de verdachte voor het bezit van de beschermde vogels zonder vergunning onder de oude Vogelwet. Het beroep werd verworpen en het arrest van het hof bleef in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt verworpen en de veroordeling voor bezit van beschermde vogels zonder vergunning wordt bevestigd.