ECLI:NL:PHR:2007:AY5944
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Recht op volledige aftrek van voorbelasting bij gemengd gebruik investeringsgoed in strijd met Zesde richtlijn
Belanghebbenden, woonachtig in Duitsland, kochten gezamenlijk een vakantiebungalow in Nederland die voor 87,5% werd verhuurd en 12,5% voor privédoeleinden werd gebruikt. Volgens de Nederlandse Wet op de omzetbelasting 1968 kon de betaalde voorbelasting niet volledig worden afgetrokken vanwege het privégebruik. Het Hof stelde dat deze beperking was toegestaan op grond van de Zesde richtlijn, met name artikel 17 lid Pro 6.
De Hoge Raad stelde prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (HvJEG) over de verenigbaarheid van de Nederlandse regeling met de Zesde richtlijn. Het HvJEG oordeelde dat de richtlijn een volledig aftrekrecht toekent voor investeringsgoederen die deels voor privédoeleinden worden gebruikt en dat de Nederlandse regeling hiermee in strijd is.
De Hoge Raad concludeert dat belanghebbenden zich op deze richtlijnbepalingen kunnen beroepen en recht hebben op volledige aftrek van de voorbelasting zonder correctie voor privégebruik. De Staatssecretaris kan zich niet beroepen op het niet-implementeren van artikel 6 lid 2 van Pro de richtlijn, noch op het beginsel van belastingneutraliteit om de aftrek te beperken. De rechter acht het aan de wetgever om de onvolkomenheden in de implementatie te herstellen.
De zaak benadrukt het belang van richtlijnconforme interpretatie en directe werking van onvoorwaardelijke en voldoende nauwkeurige bepalingen van Europese richtlijnen, en de beperking van nationale regelingen die daarmee in strijd zijn. De Hoge Raad geeft de zaak door aan de lagere rechter met het advies het beroep van belanghebbenden gegrond te verklaren.
Uitkomst: Belanghebbenden hebben recht op volledige aftrek van voorbelasting zonder correctie voor privégebruik.