ECLI:NL:PHR:2007:AU8561
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling tijdelijke terbeschikkingstelling eigen woning aan derden en aftrek onderhoudskosten
De zaak betreft de fiscale beoordeling van de tijdelijke terbeschikkingstelling van een eigen woning aan derden in het kader van artikel 42a van de Wet inkomstenbelasting 1964. Belanghebbende had een woning gekocht die tijdelijk aan derden werd verhuurd, waarna eigen bewoning volgde. De vraag was vanaf welk moment de woning als eigen woning moest worden aangemerkt en hoe de aftrek van onderhoudskosten moest worden behandeld.
De Hoge Raad bevestigt dat de woning als eigen woning wordt beschouwd zodra deze feitelijk ter beschikking staat van de eigenaar of tijdelijk aan derden wordt verhuurd, mits de terbeschikkingstelling tijdelijk is. Jurisprudentie en wetsgeschiedenis tonen aan dat ook een langere periode van verhuur (enkele jaren) onder het begrip 'tijdelijk' kan vallen, vooral als de eigenaar het voornemen heeft de woning later zelf te gebruiken.
De Hoge Raad oordeelt dat de aftrek van onderhoudskosten beperkt is gedurende de periode van tijdelijke terbeschikkingstelling, waarbij het forfaitaire regime van artikel 42a lid 6 en 8 van toepassing is. Tevens wordt benadrukt dat het voornemen van de eigenaar en feitelijk gebruik doorslaggevend zijn voor de kwalificatie van de woning als eigen woning. De zaak bevat uitgebreide analyse van wetsgeschiedenis, parlementaire behandeling, beleidsregels en jurisprudentie over dit onderwerp.
Het oordeel van het Hof dat de woning vanaf 1 januari 1997 als eigen woning moet worden aangemerkt en dat de tijdelijke verhuurregeling van toepassing is, wordt door de Hoge Raad bevestigd. Het beroep in cassatie van belanghebbende wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de woning vanaf 1 januari 1997 als eigen woning geldt en de tijdelijke terbeschikkingstellingsregeling van toepassing is, waardoor de aftrek van onderhoudskosten beperkt wordt.