ECLI:NL:PHR:2007:AU8553
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling fiscale kwalificatie en aftrekbaarheid onderhoudskosten eigen woning bij tijdelijke terbeschikkingstelling
Belanghebbende kocht in 1996 een oude boerderij in Italië met het oog op verhuur, maar de woning werd tot 2000 door een weduwe met woonrecht bewoond. Gedurende deze periode vonden restauratiewerkzaamheden plaats. Belanghebbende sloot in 2000 een overeenkomst met een verhuurorganisatie voor exploitatie van de woning als vakantiewoning.
De Inspecteur corrigeerde de aftrek van onderhoudskosten in de belastingaangifte over 1999 en legde navorderingsaanslagen op voor eerdere jaren. Belanghebbende voerde aan dat de woning uitsluitend voor verhuur bestemd was en beriep zich op het vertrouwensbeginsel vanwege eerdere acceptatie van aangiften.
Het Hof oordeelde dat de woning feitelijk niet uitsluitend voor verhuur bestemd was, mede vanwege het woonrecht van de weduwe en het eigen gebruik door belanghebbende. De Hoge Raad bevestigde dat de woning onder artikel 42a lid 8 valt indien tijdelijk aan derden ter beschikking gesteld, en dat een gering eigen gebruik voldoende is om de regeling van toepassing te verklaren.
De bewijslast ligt bij de belastingplichtige om aannemelijk te maken dat de woning uitsluitend voor verhuur bestemd is. Het enkele ontbreken van feitelijk gebruik is onvoldoende om de woning niet als eigen woning aan te merken. De Hoge Raad benadrukt het belang van de bedoeling van de eigenaar en feitelijk gebruik bij de fiscale kwalificatie.
De uitspraak verduidelijkt de toepassing van de regeling voor tijdelijke terbeschikkingstelling en de aftrekbaarheid van onderhoudskosten, waarbij het eigenwoningbegrip een genotscriterium is en niet louter een eigendomscriterium.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de woning onder artikel 42a lid 8 Wet IB 1964 valt en wijst het beroep van belanghebbende af.