ECLI:NL:PHR:2007:AU3577
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling toerekening basissalaris sportbeoefenaar onder artikel 17 OESO-modelverdrag
Belanghebbende, een voetballer in dienstbetrekking bij Stichting A, verrichtte in 1997 werkzaamheden in Nederland en in drie buitenlandse landen (België, Verenigd Koninkrijk en Zuid-Afrika). Het geschil betrof of en in hoeverre zijn basissalaris voor de dagen dat hij in het buitenland werkte, onder de belastingverdragen viel en daardoor recht gaf op aftrek ter voorkoming van dubbele belasting.
Het hof oordeelde dat het basissalaris mede aan de buitenlandse werkzaamheden kan worden toegerekend op basis van het aantal dagen dat de werkzaamheden in het buitenland werden verricht, conform artikel 17 van Pro het OESO-modelverdrag en de overeenkomstige verdragsartikelen. De staatssecretaris stelde cassatieberoep in met het argument dat een duidelijk, direct verband tussen salaris en buitenlandse werkzaamheden vereist is, en dat het basissalaris in zijn geheel aan Nederland toerekenbaar is.
De advocaat-generaal concludeerde dat het hof terecht heeft geoordeeld dat het basissalaris onder artikel 17 valt Pro en dat een evenredige toerekening op basis van de 'duty-days'-methode passend is. Wel gaf hij aan dat het hof onvoldoende had gemotiveerd dat sprake was van uitlening van belanghebbende door A aan de KNVB, en adviseerde vernietiging en verwijzing voor nader onderzoek van de juiste toerekening.
De conclusie bevat tevens een uitgebreide analyse van de ratio en achtergrond van artikel 17 OESO Pro-modelverdrag, de verhouding met andere verdragsartikelen, de reikwijdte van het begrip persoonlijke werkzaamheden, en de behandeling van trainings- en reisdagen. De conclusie benadrukt dat ook trainings- en reisdagen onder artikel 17 kunnen Pro vallen indien zij samenhangen met publieksgerichte optredens. De 'duty-days'-methode wordt als geschikte toerekeningsmethode aanbevolen.
De zaak illustreert de complexiteit van belastingheffing bij internationale sportbeoefenaars en bevestigt dat het basissalaris, ook indien niet direct gekoppeld aan specifieke buitenlandse optredens, proportioneel aan buitenlandse werkzaamheden kan worden toegerekend voor belastingverdragsdoeleinden.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt gegrond verklaard, het arrest van het hof vernietigd en de zaak verwezen voor nadere beoordeling van de toerekening van het basissalaris aan buitenlandse werkzaamheden.