ECLI:NL:GHAMS:2004:AR3482
Gerechtshof Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Den Boer
- Van der Ouderaa
- Zwemmer
- Rechtspraak.nl
Belastingheffing artiesten- en sportersvergoeding volgens belastingverdragen met Oostenrijk, Spanje en Duitsland
Belanghebbende, een internationale langebaanschaatser woonachtig in Nederland, betwistte de aanslag inkomstenbelasting over 1999 waarbij geen aftrek ter voorkoming van dubbele belasting werd verleend voor vergoedingen ontvangen van de KNSB en E BV. Het geschil betrof de vraag of delen van deze vergoedingen, die verband houden met werkzaamheden en wedstrijden in Oostenrijk, Spanje en Duitsland, aan deze landen toerekenbaar zijn voor belastingheffing op grond van de toepasselijke belastingverdragen.
Het Hof stelde vast dat de basisvergoeding niet direct gekoppeld is aan specifieke sportprestaties of wedstrijden in het buitenland, zoals vereist door artikel 17 van Pro het OESO-modelverdrag en de overeenkomstige artikelen in de belastingverdragen met Oostenrijk en Spanje. De werkzaamheden in Spanje en Oostenrijk betroffen ook trainingsactiviteiten en sponsorcontacten, die niet onder de artiesten- en sportersregeling vallen. Voor Duitsland oordeelde het Hof dat sprake is van een dienstbetrekking met de KNSB, waardoor de heffing aan Nederland toekomt.
Belanghebbende voerde tevens een beroep op het vertrouwensbeginsel aan, omdat in 1998 een vergelijkbare aftrek was toegestaan. Het Hof verwierp dit beroep omdat de aanslag over 1998 door een andere bevoegde inspecteur was vastgesteld en het specifieke verband met buitenlandse prestaties in 1998 wel aanwezig was, in tegenstelling tot 1999.
Het Hof verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde dat de aanslag terecht is opgelegd zonder aftrek ter voorkoming van dubbele belasting voor de basisvergoeding. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de aanslag inkomstenbelasting 1999 wordt gehandhaafd zonder aftrek ter voorkoming van dubbele belasting.