ECLI:NL:PHR:2006:AZ1080
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Uitleg financieringsvoorbehoud in koopovereenkomst cafébedrijf
In deze zaak stond de uitleg van het financieringsvoorbehoud in een koopovereenkomst tussen verkoper en koper van een cafébedrijf centraal. De koopovereenkomst bevatte een ontbindende voorwaarde dat een passende financiering door een bank moest worden verleend. De koper stelde dat de financiering slechts betrekking had op de aankoopprijs van het pand en de zaak, terwijl de verkoper stelde dat het financieringsvoorbehoud ook investeringen en kosten omvatte die nodig waren voor exploitatie.
Tijdens het geding werden verklaringen van partijen en hun adviseurs gehoord. Uit deze verklaringen bleek dat partijen gesproken hadden over een financieringsbehoefte van circa 550.000 tot 600.000 gulden, inclusief verbouwingskosten en aanloopverliezen. De verkoper had meerdere financieringsaanvragen gedaan die waren afgewezen. Het hof oordeelde dat de verkoper het vereiste bewijs had geleverd dat het financieringsvoorbehoud betrekking had op dit hogere bedrag en dat de verkoper gerechtigd was het beroep op het financieringsvoorbehoud te doen, waardoor de koopovereenkomst werd ontbonden.
De verkoper stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het hof, stellende dat het hof de Haviltex-maatstaf niet juist had toegepast en dat het oordeel onbegrijpelijk was. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep, bevestigde het oordeel van het hof en overwoog dat het hof de feiten en omstandigheden juist had gewogen en dat het financieringsvoorbehoud mede betrekking had op de totale financieringsbehoefte van circa 600.000 gulden. Het hof had ook rekening gehouden met het eigen vermogen van de koper en de reeds verstrekte financiering door een andere bank. De Hoge Raad vond geen reden tot vernietiging van het arrest.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de verkoper wordt verworpen en het arrest van het hof wordt bevestigd.