ECLI:NL:PHR:2006:AZ0425
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt terugkomen op arbeidsovereenkomst bij schijnconstructie en misleiding
In deze zaak stond centraal of de kantonrechter bij eindvonnis mocht terugkomen op een eerder tussenvonnis waarin was vastgesteld dat tussen partijen een arbeidsovereenkomst bestond. De kantonrechter had geoordeeld dat sprake was van een arbeidsovereenkomst, maar later bleek dat deze overeenkomst een schijnconstructie was, bedoeld om een verblijfsvergunning te verkrijgen. UNC, de werkgever, had de rechter en de wederpartij misleid over het bestaan van de arbeidsovereenkomst.
De kantonrechter wees de vorderingen van eiser af op grond van getuigenverklaringen waaruit bleek dat geen daadwerkelijke arbeidsovereenkomst bestond en dat eiser geen werkzaamheden had verricht. Het hof bevestigde dit oordeel en oordeelde dat UNC in hoger beroep het verweer omtrent het ontbreken van een arbeidsovereenkomst mocht aanvoeren, ook al was in het tussenvonnis het tegendeel vastgesteld.
De Hoge Raad bevestigde dat de kantonrechter in uitzonderlijke gevallen mag afwijken van een eerder gegeven eindbeslissing, zoals bij nieuwe feiten van uitzonderlijke aard, waaronder misleiding en schijnconstructie. Het hof had het bewijsoordeel zorgvuldig gemotiveerd en de getuigenverklaringen gewogen. De Hoge Raad verwierp de cassatieklachten van eiser en bevestigde dat de vorderingen terecht waren afgewezen. De misleiding door UNC maakte het onaanvaardbaar om gebonden te blijven aan het eerdere oordeel over het bestaan van de arbeidsovereenkomst.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat de arbeidsovereenkomst niet bestond en de vorderingen van eiser terecht werden afgewezen.