ECLI:NL:PHR:2006:AY7396
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt afwijzing verzoek tot horen getuigen in ontnemingsprocedure mensenhandel
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een beslissing van het Gerechtshof Arnhem waarin het verzoek van de verdediging om drie getuigen te horen in een ontnemingsprocedure werd afgewezen. De ontnemingsvordering is gebaseerd op een schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel uit mensenhandel waarvoor de veroordeelde is veroordeeld tot 24 maanden gevangenisstraf.
De verdediging wilde de getuigen ondervragen over de periode van werkzaamheden, verdiensten, gemaakte kosten en de verdeling van het geld om het financieel rapport dat ten grondslag ligt aan de ontnemingsvordering te betwisten. Het hof oordeelde dat onvoldoende concrete feiten en gemotiveerde argumenten waren aangevoerd die het horen van deze getuigen noodzakelijk maakten en dat de verdediging niet in haar belangen werd geschaad door het verzoek af te wijzen.
De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en benadrukt dat in ontnemingsprocedures het bewijsrecht anders is dan in de hoofdzaak en dat de rechter de onderbouwing van het verzoek tot het horen van getuigen mede kan toetsen aan de voorshands aannemelijkheid van de financiële gegevens van het Openbaar Ministerie. Ook het feit dat een van de getuigen eerder in de procedure is gehoord, weegt mee.
Het cassatieberoep wordt verworpen met toepassing van art. 81 RO Pro, zonder dat sprake is van onbegrijpelijkheid of schending van procesrechten. De afwijzing van het verzoek tot het horen van getuigen leidt niet tot een schending van het recht op verdediging.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de afwijzing van het verzoek tot het horen van getuigen in de ontnemingsprocedure.