ECLI:NL:PHR:2006:AX6420
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt strafbaarheid bezit radarontvangstapparaat ongeacht werking
In deze zaak werd verdachte veroordeeld voor het bezit van een radarontvangstapparaat in zijn voertuig, in strijd met art. 5.1.6 van het Voertuigreglement. Het hof stelde vast dat het apparaat geschikt was om de aanwezigheid van een snelheidsmeetapparaat aan te tonen, ongeacht of het op het moment van constatering functioneerde.
Verdachte voerde verweer dat het apparaat defect was en al maanden was afgekoppeld, waardoor het niet geschikt zou zijn geweest. De Hoge Raad verwierp dit verweer en bevestigde dat het verbod zich richt op de technische bestemming van het apparaat en niet op de daadwerkelijke werking op het moment van overtreding.
De Hoge Raad benadrukte dat het verbod in hoofdstuk 5 van het Voertuigreglement geldt als een permanente eis, zonder dat concreet gevaar of werking vereist is. Dit voorkomt dat bestuurders het apparaat eenvoudig kunnen uitschakelen om strafvervolging te ontlopen.
Ook het argument dat bewustzijn van de verdachte over het radarontvangstapparaat vereist zou zijn, werd verworpen. De verklaring van verdachte dat het apparaat werkte tot het moment van afkoppeling ondersteunde het oordeel van het hof.
Het cassatieberoep werd verworpen en de veroordeling tot een geldboete en onttrekking aan het verkeer van het apparaat bleef in stand.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling voor het bezit van een radarontvangstapparaat ongeacht of het apparaat functioneerde.