ECLI:NL:PHR:2006:AV9448
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad oordeelt over schending hoor en wederhoor bij klachtprocedure Wet Bopz
Betrokkene verbleef op grond van een rechterlijke machtiging in een psychiatrisch ziekenhuis en diende een klacht in over dwangbehandeling. Tijdens de mondelinge behandeling van de klacht werd de behandelend psycholoog buiten aanwezigheid van betrokkene gehoord, hetgeen door haar raadsvrouwe werd bestreden. De rechtbank verklaarde de klacht ongegrond en baseerde haar beslissing mede op een brief van de moeder van betrokkene, zonder betrokkene of haar raadsvrouwe de gelegenheid te geven hierop te reageren.
De Hoge Raad bevestigde dat het beginsel van hoor en wederhoor, zoals neergelegd in art. 19 Rv Pro en art. 6 EVRM Pro, vereist dat een betrokkene niet alleen wordt gehoord, maar ook de kans krijgt zich uit te laten over informatie die buiten haar aanwezigheid aan de rechter is verstrekt. Hoewel het horen van derden buiten aanwezigheid van betrokkene is toegestaan, moet de rechter haar daarna de zakelijke inhoud van die informatie meedelen en haar gelegenheid geven daarop te reageren.
In deze zaak was betrokkene niet in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de informatie die buiten haar aanwezigheid was gegeven, noch over de brief van haar moeder die mede aan het oordeel ten grondslag lag. Dit was een schending van het beginsel van hoor en wederhoor. Daarom vernietigde de Hoge Raad de bestreden beschikking en verwees de zaak terug naar de rechtbank voor een nieuwe behandeling.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking vanwege schending van het beginsel van hoor en wederhoor en verwijst de zaak terug naar de rechtbank.