ECLI:NL:PHR:2006:AV7970

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
6 juni 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
01403/05
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 312 Sr
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling strafmotivering en recidive bij gelijktijdige veroordelingen

Deze zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin verdachte is veroordeeld tot twee weken gevangenisstraf wegens bedreiging van een treinsurveillant. Het hof heeft bij de strafoplegging rekening gehouden met eerdere veroordelingen van verdachte, waaronder een gelijktijdig behandeld ernstig geweldsdelict waarvoor verdachte eveneens gevangenisstraf kreeg opgelegd.

De verdediging klaagde dat het hof ten onrechte de nog niet onherroepelijke veroordeling van het andere geweldsdelict had betrokken bij de strafoplegging. De Hoge Raad overwoog dat het hof die veroordeling niet als zelfstandige strafverzwaring gebruikte, maar slechts als reden om geen lichtere strafmodaliteit toe te passen.

De Hoge Raad bevestigde dat het hof hiermee binnen de grenzen van de rechtspraak bleef, ook al was de andere veroordeling nog niet onherroepelijk. De conclusie van de Procureur-Generaal was dat het middel tevergeefs was voorgesteld en het cassatieberoep verworpen moest worden.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de opgelegde gevangenisstraf van twee weken blijft in stand.

Conclusie

Griffienr. 01403/05
Mr. Wortel
Zitting:28 maart 2006
Conclusie inzake:
[Verzoeker = verdachte]
1. Dit cassatieberoep betreft een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam, nevenzittingsplaats Leeuwarden, waarbij verzoeker wegens "bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht" is veroordeeld tot twee weken gevangenisstraf. Ten behoeve van een benadeelde partij heeft het Hof verzoeker betalingsverplichtingen opgelegd als in het arrest vermeld.
2. Namens verzoeker hebben mrs. G.P. Hamer en B.P. Boer, advocaten te Amsterdam, een schriftuur houdende cassatieklachten ingediend.
Deze zaak hangt samen met de zaak die bij de Hoge Raad bekend is onder griffienummer 01404/05, waarin ik heden eveneens concludeer.
3. Het enige middel betreft de motivering van de opgelegde straf.
4. Die luidt:
"Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon van verdachte. Het hof heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Verdachte heeft zich op 9 september 2002 schuldig gemaakt aan bedreiging van een treinsurveillant van de Nederlandse Spoorwegen. Verdachtes gedrag is onacceptabel en heeft gevoelens van angst en onveiligheid bij het slachtoffer veroorzaakt, waardoor deze surveillant een periode niet meer heeft kunnen werken.
Het hof heeft bij de straftoemeting in aanmerking genomen dat verdachte - blijkens een hem betreffend uittreksel uit het algemeen documentatieregister d.d. 26 oktober 2004 - al eerder is veroordeeld, onder meer ter zake van een soortgelijk feit, en hem vele malen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf is opgelegd.
Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, is het hof van oordeel dat aan verdachte uit een oogpunt van normhandhaving een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van na te melden duur dient te worden opgelegd.
Voor een andere, lichtere strafmodaliteit komt verdachte niet in aanmerking mede omdat hij zich op 27 juni 2003 heeft schuldig gemaakt aan een ernstig geweldsdelict (artikel 312 van Pro Wetboek van Strafrecht). In die zaak (parketnummer 24.000909.04) heeft het hof verdachte (eveneens) op 23 december 2004 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden."
5. In de toelichting op het middel wordt een beroep gedaan op HR NJ 2005, 274.
6. Bij die gelegenheid beoordeelde de Hoge Raad een strafmotivering waarin was vermeld dat de verdachte "een extra zware straf" verdiende omdat hij zich niet alleen aan de bewezenverklaarde misdrijven had schuldig gemaakt, maar ook nog aan andere feiten, te weten afpersing van een kennis van het slachtoffer (van het bewezenverklaarde feit) alsmede het mishandelen en bedreigen van verwanten van het slachtoffer.
De Hoge Raad oordeelde dat die strafmotivering niet begrijpelijk was omdat die feiten niet "ad informandum" waren vermeld en door de verdachte erkend; die feiten evenmin waren aan te merken als omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde was begaan, en ook niet als bezwarende persoonlijke omstandigheden hadden mogen meewegen, omdat de verdachte daarvoor niet onherroepelijk was veroordeeld.
7. In dit geval gaat het eveneens om een feit waarvoor verzoeker nog niet onherroepelijk was veroordeeld. Het gaat immers om een veroordeling die de uitkomst is van een gelijktijdig behandelde strafzaak (die bij de Hoge Raad is ingeschreven onder het griffienummer 01404/05).
8. Naar mijn inzicht heeft het Hof de in HR NJ 2005, 274 getrokken grens echter niet overschreden omdat de gelijktijdig berechte zaak niet is gebruikt als reden om verzoeker "een extra zware straf" op te leggen. Het Hof heeft daarin slechts grond gezien om geen lichtere strafmodaliteit te kiezen. Het kan ervoor gehouden worden dat het Hof heeft beoogd tot uitdrukking te brengen dat een lichtere straf dan door de eerder vermelde omstandigheden gevergd niet aangewezen is omdat de gelijktijdig berechte zaak een aanwijzing geeft dat verzoeker zich ook na het bewezenverklaarde feit nog heeft schuldig gemaakt aan strafbare feiten. Dat lijkt mij niet onredelijk, waaraan niet afdoet dat die gelijktijdig uitgesproken veroordeling (uiteraard) nog niet onherroepelijk was.
9. Het middel houd ik derhalve voor tevergeefs voorgesteld.
10. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,