ECLI:NL:PHR:2006:AU9733
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vaststelling Nederlanderschap niet-Nederlands kind na optieverklaring zonder gelegaliseerde geboorteakte
Deze zaak betreft een verzoek ex artikel 17 van Pro de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) tot vaststelling van het Nederlanderschap van een niet-Nederlands kind van een moeder die Nederlander is geworden. De verzoeker, geboren in de Dominicaanse Republiek, legde in 1985 een optieverklaring af op grond van artikel 27 lid Pro 2 (oud) RWN.
De gemeente Rotterdam weigerde later het rechtsgevolg aan deze optieverklaring toe te kennen omdat de afstamming niet voldoende was aangetoond met een gelegaliseerde en geverifieerde geboorteakte. Diverse documenten bleken onbetrouwbaar of voorzien van valse stempels. De rechtbank verklaarde het beroep van verzoeker ongegrond en wees het verzoek tot vaststelling van het Nederlanderschap af.
In cassatie betoogde verzoeker dat hij aanvullend bewijs wilde leveren en dat de rechtbank ten onrechte een gelegaliseerde geboorteakte als uitsluitend bewijs vereiste. De Hoge Raad verwierp deze klachten omdat er geen bewijsaanbod was gedaan, de rechtbank niet had beslist dat alleen een gelegaliseerde akte als bewijs geldt, en de rechter discretionair is in het ambtshalve opvragen van bewijs. Het cassatieberoep werd verworpen.
Uitkomst: Het verzoek tot vaststelling van het Nederlanderschap werd afgewezen wegens het ontbreken van een gelegaliseerde en geverifieerde geboorteakte.