ECLI:NL:PHR:2006:AU9726
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over positie van zaaddonor bij stiefouderadoptie en toepassing family life
Deze zaak betreft een geschil over de stiefouderadoptie van een minderjarig kind door de partner van de moeder, waarbij de biologische vader als zaaddonor verzet aantekent. De Hoge Raad behandelt de vraag of de man als ouder in de zin van artikel 1:227 lid 3 BW Pro kan worden aangemerkt en daarmee belanghebbende is in de adoptieprocedure volgens artikel 798 Rv Pro, mede in het licht van het begrip 'family life' uit artikel 8 EVRM Pro.
De feiten betreffen dat de moeder en haar partner een kind kregen via kunstmatige inseminatie met zaad van de man. Er was een omgangsregeling tussen de man en het kind, en het hof oordeelde dat het enkele donorschap geen family life met zich brengt, maar dat bijkomende omstandigheden dit wel kunnen doen. Het hof stelde vast dat sprake was van family life en dat de man als ouder en belanghebbende moest worden aangemerkt. Vervolgens oordeelde het hof dat adoptie alleen kan plaatsvinden als het kind niets meer van zijn oorspronkelijke ouder te verwachten heeft, wat in dit geval niet aannemelijk was.
De Hoge Raad bevestigt dat het begrip ouder ruim moet worden opgevat en dat ook een biologische ouder met family life als ouder kan gelden. De bescherming van family life volgens artikel 8 EVRM Pro verplicht tot een zorgvuldige toetsing van de belangen van de donor. De Hoge Raad verwerpt de cassatie en bevestigt dat de man belanghebbende is en dat de adoptie niet kan worden toegewezen zolang het kind nog iets van de man als ouder te verwachten heeft.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de zaaddonor als ouder met family life belanghebbende is, maar dat adoptie alleen kan worden toegewezen als het kind niets meer van de oorspronkelijke ouder te verwachten heeft, wat hier niet is vastgesteld.