ECLI:NL:PHR:2006:AU6787
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt rechtmatigheid aanhouding en kledingonderzoek bij drugsdelict
In deze zaak stond de rechtmatigheid van de aanhouding en het daaropvolgende onderzoek aan de kleding van verdachte centraal. Het hof Amsterdam had vastgesteld dat verdachte zich op een bekende drugsdealersplek bevond, met een opvallende verdikking bij zijn geslachtsdeel, en dat hij contact had met bekende drugsgebruikers. Dit leidde tot een redelijk vermoeden van schuld en rechtvaardigde de aanhouding en het kledingonderzoek.
Verdachte voerde in hoger beroep aan dat er geen redelijk vermoeden van schuld was en dat het bewijs daardoor uitgesloten moest worden. Ook werd gesteld dat het hof ten onrechte de wijziging van de tenlastelegging in de aanvulling van het verkorte arrest had opgenomen. De Hoge Raad oordeelde dat het hof terecht het redelijk vermoeden van schuld aannam op grond van de concrete feiten en omstandigheden, waaronder de zichtbare verdikking en de gedragingen van verdachte.
Verder stelde de Hoge Raad dat het kledingonderzoek gerechtvaardigd was vanwege de ernstige bezwaren die uit de situatie voortvloeiden. De Hoge Raad wees het cassatieberoep af en bevestigde daarmee de veroordeling van verdachte tot vier maanden gevangenisstraf wegens overtreding van de Opiumwet.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling tot vier maanden gevangenisstraf wegens overtreding van de Opiumwet en verklaart de aanhouding en het kledingonderzoek rechtmatig.