ECLI:NL:PHR:2006:AU6095
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vaststelling verrekening lijfrenteverzekering bij echtscheiding volgens Amsterdams verrekenbeding
In deze zaak staat de verrekening van de afkoopwaarde van een lijfrenteverzekering centraal, die onderdeel uitmaakt van de vermogensverdeling tussen ex-echtelieden volgens het Amsterdamse verrekenbeding in hun huwelijkse voorwaarden. Partijen zijn in 1992 gehuwd onder huwelijkse voorwaarden met algehele uitsluiting van gemeenschap van goederen. Na hun verhuizing naar Thailand verliet de vrouw in 1996 de echtelijke woning en werd het huwelijk in 1997 ontbonden.
De rechtbank stelde een peildatum vast van 26 januari 1996 voor de verdeling van het niet-verteerde inkomen en de vermogensgroei, waaronder de afkoopwaarde van een lijfrenteverzekering bij Amev. De rechtbank achtte de afkoopwaarde van de verzekering vermogensgroei aan de zijde van de man, waarover de latente belastingverplichting in mindering moest worden gebracht. Het hof vernietigde het vonnis en bepaalde dat bij de berekening van de nettowaarde van de verzekering de contante waarde van de latente belastingclaim moest worden meegenomen, uitgaande van een belastingdruk van 60% op de peildatum en een rekenrente van 4%.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof onjuist heeft gehandeld door niet de nominale maar de contante waarde van de latente belastingschuld in aanmerking te nemen. De Hoge Raad stelt dat bij een waardering per peildatum, die uitgaat van een fictieve afkoop op die datum, ook de nominale waarde van de latente belastingschuld moet worden meegenomen omdat de belastingschuld dan ook op die datum ontstaat. Het arrest vernietigt het hofarrest en verwijst de zaak terug voor nadere motivering en beoordeling.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen vanwege onjuiste waardering van de latente belastingschuld.