ECLI:NL:PHR:2006:AU6038
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad oordeelt over toepassing Convenant en waardering premiereserve natura-uitvaartverzekeraar
Belanghebbende, een natura-uitvaartverzekeraar, voerde in haar aangifte vennootschapsbelasting 1997 een premiereserve op gebaseerd op een pakketwaarde die hoger was dan de werkelijke waarde per ultimo 1997. De Inspecteur corrigeerde deze waarde en stelde dat belanghebbende de premies niet op vooraf vastgestelde actuariële grondslagen baseerde, waardoor de toepassing van het Convenant ter discussie stond.
Het Hof oordeelde dat het Convenant van toepassing kon zijn indien belanghebbende aan de voorwaarden voldeed, en achtte de jaarlijkse toetsing van premies door de actuaris aan vaste grondslagen (4% rekenrente en sterftetafel GBM 1961-1965) voldoende. Het Hof verwierp de stelling van de Inspecteur dat andere grondslagen waren gebruikt en dat de pakketwaarde als tariefgrondslag moest gelden. Wel stelde het Hof vast dat de omrekening van de premiereserve voor jaarlagen vóór 1974 niet voldeed aan het Convenant.
De Hoge Raad bevestigt het oordeel van het Hof over de toepasselijkheid van het Convenant en de bewijslastverdeling. Wel stelt de Hoge Raad dat het Hof ten onrechte de stelling van de Inspecteur over de backserviceverplichting onbehandeld heeft gelaten. Deze backserviceverplichting dient volgens goed koopmansgebruik gewaardeerd te worden, wat kan leiden tot een correctie. De zaak wordt daarom verwezen voor nader onderzoek naar de juiste waardering van deze verplichting. Tevens wordt overwogen dat een correctie over meerdere jaren kan worden uitgesmeerd om onredelijke gevolgen te voorkomen.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het Hofarrest en verwijst de zaak voor nader onderzoek naar de waardering van de backserviceverplichting.